
Archief: Persberichten 2001-2002
PERSOONLIJKHEID KOOLMEES VOOR 54% ERFELIJK
HETEREN (Gld.) – Een koolmees erft zijn persoonlijkheid voor meer dan de helft van zijn ouders. Persoonlijkheden van dieren (en mensen) bestaan uit samenhangende gedragingen, bijvoorbeeld brutale macho’s m/v versus voorzichtige padvinders. De publicatie van drie biologen van het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW) in de Proceedings of the Royal Society of London B leert ons dat de modelsoort koolmees de weg kan wijzen naar de wortels van persoonlijkheden.
Het onderzoek van dierecoloog Piet Drent van het NIOO-KNAW richt zich op de variatie in persoonlijkheid die koolmezen van nature ten toon spreiden. Drent: “Ons onderzoek toont aan dat de genen van zijn ouders ongeveer 54% van de persoonlijkheid van een individu bepalen.” Twee hoofdtypes onderscheidt hij: brutaal (‘lefgozer’) en voorzichtig (‘kat-uit-de-boom-kijker’). Drent liet samen met zijn collega’s Kees van Oers van Arie van Noordwijk VIER GENERATIES LANG de brutaaltjes met brutaaltjes paren en de voorzichtigste met de voorzichtigste. Dit zorgde ervoor dat de brutale lijn steeds brutaler werd en de voorzichtige steeds terughoudender. Uit dit selectie-onderzoek blijkt dat meer dan de helft van de persoonlijkheid van de ouders komt.
“Met deze kennis zijn we beter in staat te begrijpen hoe het mogelijk is dat individuen verschillende persoonlijkheden bezitten. Maar ook dat kinderen vaak op hun ouders lijken, ook als ze niet door die natuurlijke ouders zijn grootgebracht,” verklaart Drent. Om de invloed van opvoeding op de persoonlijkheid uit te sluiten, pasten de ecologen onder andere cross-fostering toe. Koolmeeskuikentjes lieten ze door PLEEGOUDERS opvoeden, in een gemengd brutaal/voorzichtig nest.
Persoonlijkheden zijn ‘GEDRAGSPAKKETTEN’: combinaties van gedragingen die samen een zogenaamde strategie vormen. In de brede waaier van persoonlijkheden herkennen we, bij alle gewervelde dieren zowel als mensen, onder licht gestresste omstandigheden twee extreme types: een actieve en een passieve. De ‘actieve strategie’ houdt in dat een dier snel beslissingen neemt, agressief en brutaal is en (stress)situaties naar zijn hand probeert te zetten. Lukt dat laatste niet, dan gaat hij zijn geluk elders beproeven. De ‘passieve’ persoonlijkheid vinden we aan het andere uiteinde van het spectrum: een voorzichtige en bedachtzame beslisser en ontdekker, verlegen, weinig agressief en zich aanpassend aan de omstandigheden. Hij blijft liever.
Het onderzoek van het Nederlands Instituut voor Ecologie richt zich op de wilde vogel. Het gaat dus om natuurlijk gedrag, NIET OM ‘IJSBEREN’ bijvoorbeeld. Dieren moeten oplossingen vinden voor de omstandigheden die ze in het dagelijks leven tegenkomen. De centrale vraag daarbij is hoe die variatie in gedrag ontstaat, en wat de gevolgen daarvan zijn. Welke invloed heeft je persoonlijkheid bijvoorbeeld op je overlevings- en voortplantingskansen? Hoe kunnen de verschillende persoonlijkheden in de natuur naast elkaar voortbestaan? Hoe is dit alles geëvolueerd? De publicatie van het NIOO legt een grondige genetische basis. Het vervolg is niet met één simpele test in één situatie vast te stellen. De onderzoekers moeten kijken naar de gevolgen in het totaal van situaties dat een dier tegenkomt in zijn leven. Andere binnenkort te verschijnen publicaties van het NIOO maken duidelijk, dat er geen sprake is van één goede en één slechte strategie. Afhankelijk van de omstandigheden is de ene dan wel de andere strategie in het voordeel; en ze kunnen soms juist samen goed ‘werken’.
Het NIOO is jarig: in 2002 bestaat het tien jaar, in de huidige ecologie-brede vorm. De drie afzonderlijke 'wortels´ bestaan al bijna 50 jaar. Het NIOO-KNAW is het onderzoeksinstituut voor ecologie van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW). Het bestaat uit drie centra: voor ecologie van kust en zee, van het zoete water en van het land. Op het NIOO-Centrum voor Terrestrische Ecologie in Heteren richten de onderzoekers zich op het leven op het land. LET OP: sinds 24 september 2002 heet het NIOO voluit Nederlands Instituut voor Ecologie. Deze naam is voor veel mensen inzichtelijker dan het 'Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek' van daarvoor.
Voor meer informatie:
- onderzoeker dr. Piet Drent, NIOO-Centrum voor Terrestrische Ecologie, tel. 026-4791255, p.drent@nioo.knaw.nl, Boterhoeksestraat 48, 6666 GA Heteren.
- onderzoeker drs. Kees van Oers, NIOO-Centrum voor Terrestrische Ecologie, tel. 026-4791254, k.vanoers@nioo.knaw.nl
- onderzoeker prof.dr. Arie van Noordwijk, NIOO-Centrum voor Terrestrische Ecologie, tel. 026-4791258, a.vannoordwijk@nioo.knaw.nl
- voorlichter ir. Froukje Rienks, NIOO-KNAW, tel. 06-10487481 / 0294-239303, f.rienks@nioo.knaw.nl, Rijksstraatweg 6 Nieuwersluis, Postbus 1299, 3600 BG Maarssen.
Artikel: Realized heritability of personalities in the great tit (Parus major). Pieter J. Drent, Kees van Oers and Arie J. van Noordwijk, Proceedings of the Royal Society of London B, 7 januari 2003. Zie ook voorpublicatie voor abonnees op: http://www.catchword.com/rsl/09628452/previews/contp1-1.htm
SYMPOSIUM RUIMTELIJKE ECOLOGIE: HET BELANG VAN ‘PRETTY PATTERNS’
YERSEKE / WAGENINGEN / NIJMEGEN – Ruimtelijke patronen van mossels of planten zijn niet alleen mooi – ze zijn waarschijnlijk ook nuttig. Ruimtelijke ecologie is een jonge, ‘hotte’ tak van wetenschap. De internationale sprekers-groep van het Current Themes in Ecology Symposium van 22 november maakt het belang van de factor ‘ruimte’ duidelijk in de ecologie: voor biodiversiteit, natuurbeheer en effecten van klimaatsverandering.
Ruimte speelt een belangrijke rol in de natuur. De wereld is niet overal hetzelfde: dit beïnvloedt levende wezens niet alleen, maar ze zijn daar vaak zelf deels verantwoordelijk voor. Ongeveer tien jaar geleden zijn biologen begonnen om ‘de ruimtelijke variatie’ structureel te betrekken in hun onderzoek. Zo is het vakgebied Spatial Ecology geboren. Uitkomsten van onderzoek zonder aandacht voor variatie in de ruimte blijken namelijk vaak heel wat anders op te leveren dan met die variatie.
De derde aflevering in de symposiumreeks Current Themes in Ecology wil een eye-opener vormen voor ecologen. Hoeveel invloed heeft ‘ruimtelijke variatie’ op hun studieplant, -dier of –systeem? Mede-organisator Johan van de Koppel: “Het niet of slecht inbouwen van ruimtelijke aspecten is één van de verklaringen voor de lage voorspellende kracht van een ecologische theorie.”
Kan een ecosysteem zich aanpassen aan veranderende omstandigheden, aan verstoringen? Dat hangt onder andere af van de ruimtelijke opbouw van het ecosysteem. Een ruimtelijk patroon kan bufferend werken, waardoor het systeem wel tegen een stootje kan. Openingsspreker Simon Levin (Princeton University, USA), een van de grondleggers van het vakgebied, benadrukt dat ‘ruimtelijke complexiteit’ ecosystemen helpt om zich aan te passen aan menselijke invloeden. Johan van de Koppel (NIOO-KNAW) zal het belang van spatial ecology voor Nederlandse ecosystemen zoals de Waddenzee belichten. Ruimtelijke structuren die door de natuur zelf gemaakt zijn, zijn belangrijk voor het functioneren van ecosystemen. Van de Koppel denkt dat bijvoorbeeld de patronen van mossels in mosselbanken de productiviteit van deze schelpdieren verhogen.
Paul Opdam (Alterra/Wageningen Universiteit) licht toe waarom natuurreservaten niet op zichzelf staan. De snippers moeten op de juiste manier verbonden worden. De ruimtelijke rangschikking maakt het samenleven van veel verschillende organismen mogelijk, en zo een hoge biodiversiteit, aldus Peter Stoll (University of Basel). Als laatste zal André de Roos (Universiteit van Amsterdam), een van de critici binnen het vakgebied, duidelijk maken dat Ruimtelijke ecologie niet zo simpel is: verschillende processen kunnen hetzelfde patroon opleveren.
PROGRAMMA SYMPOSIUM SPATIAL ECOLOGY 22 NOVEMBER 2002
Dagvoorzitter: prof.dr. Peter Herman (NIOO-KNAW)
09.30-10.00 Registratie en koffie
10.00-10.40 Prof.dr. Simon A. Levin (Princeton University, VS): Traveling in space
10.40-11.20 Dr. Johan van de Koppel & Dr. Max Rietkerk (NIOO-KNAW en Utrecht University): The importance of being pretty: Spatial self-organisation in ecosystems
11.20-12.00 Prof.dr. Jacques C.J. Nihoul (University of Liège, België):Scale breaks and scaling relations in physical-ecological modelling of the ocean processes
12.00-13.00 Lunch
13.00-13.40 Dr. P.E. Schmid (Queen Mary, University of London, VK): Fractal properties of benthic ecosystems: methods and applications
13.40-14.20 Prof.dr. Han Olff (Rijksuniversiteit Groningen): Interactions between biodiversity and the spatial structure of the environment
14.20-15.00 Dr. Peter Stoll (University of Basel, Zwitserland): Testing spatial ecology: some thoughts based on empirical evidence from plants
15.00-15.30 Thee
15.30-16.10 Prof.dr. Paul Opdam (Alterra/Wageningen Universiteit): Ecological networks: applying metapopulation ecology in nature conservation and landscape planning
16.10-16.50 Prof.dr. André de Roos (Universiteit van Amsterdam): Pretty patterns, obscure origins? Synthesis of a day on Spatial Ecology
17.00 Einde
Samenvattingen van de lezingen zijn beschikbaar via www.currentthemesinecology.nl.
De symposiumreeks Current Themes in Ecology behandelt actuele, brede thema’s binnen de ecologie. Ecologen van de Katholieke Universiteit Nijmegen, Wageningen Universiteit en het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW) organiseren twee afleveringen per jaar. De volgende afleveringen gaan in op global ecology en experimental evolution.
Het NIOO-KNAW is jarig: in 2002 bestaat het tien jaar, in de huidige ecologie-brede vorm. De drie afzonderlijke 'wortels' bestaan al bijna 50 jaar.
Voor meer informatie:
- onderzoeker dr. Johan van de Koppel, NIOO-Centrum voor Estuariene en Mariene Ecologie, tel. 0113-577455, j.vandekoppel@nioo.knaw.nl
- werkgroepleider Ruimtelijke Ecologie prof.dr. Peter Herman, NIOO-Centrum voor Estuariene en Mariene Ecologie, tel. 0113-577475, p.herman@nioo.knaw.nl
- voorlichter ir. Froukje Rienks, NIOO-KNAW, tel. 06-10487481 / 0294-239303, f.rienks@nioo.knaw.nl, Rijksstraatweg 6 Nieuwersluis, Postbus 1299, 3600 BG Maarssen.
De voertaal op het symposium is Engels.
Locatie symposium: WICC, Lawickse Allee 9, 6701 AN Wageningen.
ZWANEN ZITTEN ZONDER NATUURLIJK VOEDSEL. TAFELMANIEREN VAN KLEINE ZWAAN NIET PUUR GERICHT OP ENERGIEWINST
NIEUWERSLUIS (Utr.) - Dit najaar vinden hongerige kleine zwanen na een trektocht van 3500 kilometer bijna niets van hun lievelingseten hier in Nederland. Extreem zacht winterweer is de boosdoener, vermoedt onderzoeker Bart Nolet van het Nederlands Instituut voor Ecologie NIOO-KNAW. In het novembernummer van het Journal of Animal Ecology verklaart hij met zijn collega's de basis van zwanen-tafelmanieren. Zwanen verlaten hun waterplantendis niet zomaar - pas bij grote energieverschillen nemen ze hun toevlucht tot onvoorspelbare bietenakkers.
"De kleine zwanen zijn dit jaar geconfronteerd met EXTREEM LAGE DICHTHEDEN fonteinkruid-knolletjes," stelt ecoloog Bart Nolet van het NIOO-KNAW vast. Het lievelingseten van de kwetsbare kleine zwanen (Cygnus columbianus bewickii) bestaat uit de knolletjes van de waterplant schedefonteinkruid. Deze vinden ze in de bodem van ondiepe meren. Na de zware tocht van hun broedgebied in Noord-Rusland naar hun overwinteringsgebied in West-Europa strijken er in oktober vele duizenden neer in het Nederlandse Lauwersmeer om 'bij te tanken'.
De normaliter talrijke knolletjes zijn nu zo schaars, dat de onderzoekers vooraf berekenden dat de zwanen direct na aankomst naar bietenakkers met oogstresten zouden uitwijken in plaats van het meer met hun natuurlijke hap. Deze voorspelling is uitgekomen. Nolet: "De grote afwezigheid van knolletjes dit jaar is vermoedelijk te wijten aan het ongekend zachte weer begin februari - rond het huwelijk van PRINS WILLEM ALEXANDER en prinses Máxima. Hierdoor is de plantengroei van het fonteinkruid vermoedelijk verstoord. Het onderzoek hiernaar is nog in volle gang." Eerder dit jaar troffen de onderzoekers al heel weinig en klein blijvende planten aan. Deze plantjes hebben niet veel nieuwe knolletjes kunnen vormen om de voorraad aan te vullen. Als het extreem zachte weer inderdaad de oorzaak is, dan zorgt de voorspelde klimaatsverandering in de toekomst waarschijnlijk voor meer 'flopjaren'.
Bietenakkers zijn geen gedekte tafels voor de kleine zwaan. Het is onzeker hoeveel voedsel ofwel energie je daar binnenkrijgt. In het novembernummer van het hoogaangeschreven Journal of Animal Ecology stellen ecoloog Bart Nolet en zijn collega's dat kleine zwanen pas 'van tafel' gaan in de fonteinkruidvelden als de gemiddelde energiewinst die ze kunnen halen ver gezakt is onder die op bietenakkers. Veel later dan verwacht. De belangrijkste verklaring lijkt te zijn, dat de 'beleefde' zwanen niet houden van VERRASSINGEN. Op de akkers is het voedselaanbod onzekerder. Enorme aantallen grauwe ganzen vreten in een mum van tijd een akker met restjes leeg. Daarnaast ploegen boeren de resten biet die na de oogst zijn blijven liggen liefst zo snel mogelijk onder en zo verstoren ze de voorzichtige dieren. De waterplantendis was tot nu toe veel betrouwbaarder voor magere trekvogels, die verhongeren moeten voorkomen.
De centrale vraag van Nolets onderzoek is: kun je de verplaatsing van vogels van het ene gebied naar het andere gebied begrijpen door naar energie te kijken? Verplaatsen ze zich als het andere gebied - gemiddeld - meer energie oplevert? Voor het eerst zijn zowel de inkomsten (voedselopname en -vertering) als de uitgaven (energetische kosten, via hartslag) gemeten. Zo konden de onderzoekers rekenen met de netto energieopname, dus de energiewinst. Puur de energiewinst op korte termijn bleek niet de doorslag te geven. Plantenetende watervogels zoals ganzen en zwanen verplaatsen zich vaak, tussen natuurgebieden en landbouwgebieden. De resultaten van het onderzoek maken zo DOORDACHT NATUURBEHEER mogelijk.
Het NIOO is jarig: in 2002 bestaat het tien jaar, in de huidige ecologie-brede vorm. De drie afzonderlijke 'wortels´ bestaan al bijna 50 jaar.
Het NIOO is het onderzoeksinstituut voor ecologie van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW). Het bestaat uit drie centra: voor ecologie van kust en zee, van het zoete water en van het land. Op het NIOO-Centrum voor Limnologie in Nieuwersluis richten de onderzoekers zich op het leven in en rond het zoete water.
LET OP: sinds 24 september 2002 heet het NIOO voluit Nederlands Instituut voor Ecologie. Deze naam is voor veel mensen inzichtelijker dan het 'Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek' van daarvoor.
Voor meer informatie:
- onderzoeker dr. Bart Nolet, NIOO-Centrum voor Limnologie, tel. 0294-239318, b.nolet@nioo.knaw.nl
- voorlichter ir. Froukje Rienks, NIOO-KNAW, tel. 0294-239303 / 06-10487481, f.rienks@nioo.knaw.nl, Rijksstraatweg 6, Nieuwersluis, Postbus 1299 3600 BG Maarssen.
Illustratiemateriaal: kleine zwanen op bietenakkers, onderzoekers die 'knolletjes steken', zwanen voedsel zoekend op het water, knolletjes van het schedefonteinkruid (Bron: NIOO-KNAW). Neem s.v.p. contact op met Froukje Rienks.
Het artikel: Habitat switching by Bewick's swans: maximization of average long-term energy gain, B.A. Nolet, R.M. Bevan, M. Klaassen, O. Langevoord & Y.G.J.T. van der Heijden, Journal of Animal Ecology, nr. 71, p. 979-993, november 2002. De papieren editie komt in de tweede helft van november uit; abonnees kunnen nu al op het web een versie lezen.
Persbericht, 20 september 2002
VAN WAAKHOND, STEUNBEER EN LELIJK EENDJE: SYMPOSIUM OVER ROLLEN VAN DE ECOLOGIE IN DE MAATSCHAPPIJ
NIEUWERSLUIS/AMSTERDAM - De vierde dinsdag van september staat dit jaar in het teken van de ecologie. Staatssecretaris van Milieu Pieter van Geel, RIVM-directeur Hans Pont, prof. Arnold Heertje, Rob van Hattum en Midas Dekkers zijn slechts een aantal van de mensen die zich op 24 september zullen uitspreken over de ecologie. Debatten, gesproken columns en een Akademielezing maken samen met gastheer Ivo de Wijs het lustrumsymposium van het tienjarige ecologische onderzoeksinstituut NIOO-KNAW.
Symposium Ecologie in de Maatschappij - Waakhond, steunbeer of lelijk eendje?
Dinsdag 24 september 2002
9.15 - 17.00 uur, borrel na
Koningszaal Artis, Amsterdam
Ecologie heeft raakvlakken met allerlei onderdelen van de samenleving. Resultaten van ecologisch onderzoek hebben grote gevolgen, bijvoorbeeld bij klimaatsverandering en ruimtelijke inrichting van ons land. Communicatie tussen wetenschappers, beleidsmakers, adviseurs en de rest van de maatschappij is broodnodig. De opzet van de dag is dan ook die van het debat, met inbreng vanuit de zaal. Ecologie & Beleid, Ecologie & Economie, Ecologie & Global Change/Biodiversiteit en als laatste Ecologie & Genetische Modificatie zijn de VIER DEBATTHEMA'S op het symposium.
Wat betekenen die waakhond, steunbeer en dat lelijke eendje eigenlijk? De waakhond geeft weer dat ecologische kennis (en de ecoloog dus) moet aangeven waar de grenzen liggen. Hoe ver kan de maatschappij gaan voordat bijvoorbeeld een ecosysteem instort? OP TIJD BLAFFEN dus. Een steunbeer is een element van gebouwen: om een muur en zo het hele gebouw te stutten. Deze beer symboliseert hier de ecologie als ondersteuning voor de (duurzame) maatschappij. Het lelijke eendje staat voor het feit dat het ecologische oordeel niet altijd gewenst is. Denk aan economische overwegingen bij bedrijventerreinen en wegen die niet afgebouwd mogen worden vanwege kamsalamanders, knoflookpadden of zeggekorfslakken. Bovendien houdt het eendje een belofte in: eens wordt het een mooie, gewaardeerde zwaan. (En aan zwanen doet het NIOO ook onderzoek).
WAT IS ECOLOGIE VOOR (JO)U? Welke associatie hebben Nederlanders bij het woord ecologisch? We zijn bezig met een klein onderzoek hiernaar. De - uiteenlopende - inzendingen tot nu toe zijn in te zien op de NIOO-website.
Het NIOO is het onderzoeksinstituut voor ecologie van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW). In 1992 fuseerden drie afzonderlijke ecologische instituten van de KNAW om samen het ecologie-brede NIOO te vormen. Nu tien jaar later werken er meer dan 220 mensen, is het het grootste instituut van de KNAW en de grootste groep fundamenteel ecologen van Nederland. Het bestaat uit drie centra: voor ecologie van kust en zee, van het zoete water en van het land. Het jarige NIOO-KNAW heet nu nog voluit Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek. Aan het begin van het symposium maakt NIOO-directeur prof.dr. Louise Vet DE NIEUWE NEDERLANDSE NAAM bekend.
Voor meer informatie:
Wetenschapsvoorlichter NIOO-KNAW ir. Froukje Rienks, tel. 06-10487481 / 0294-239303, f.rienks@nioo.knaw.nl, Rijksstraatweg 6 Nieuwersluis, Postbus 1299 3600 BG Maarssen
Locatie: is te bereiken via de eigen ingang van het Artis Party- en Congrescentrum, Plantage Middenlaan 41A-43. Niet via de dierentuin-ingang! OV: van Amsterdam Centraal Station tram 9, halte Plantage Kerklaan. Eigen vervoer: bij de ontvangstbalie van het symposium zijn parkeermunten verkrijgbaar (gratis, als u vermeldt dat u van de pers bent). Parkeergelegenheid, aan de Plantage Kerklaan, is vrij schaars bij Artis.
HET SYMPOSIUMPROGRAMMA
v.a. 9.15 uur Ontvangst
9.50 uur Opening
prof.dr. Louise Vet (directeur NIOO-KNAW)
Ivo de Wijs
10.00 uur Openingslezing: Wat is ecologie eigenlijk?
De visie van een eigenzinnig bioloog.
M idas Dekkers
10.20 uur Eerste debat: Ecologie & Beleid
Een ecoloog, een adviseur en een politicus spreken zich uit over de moeizame relatie tussen wetenschap en beleid. Wat wil de beleidsmaker weten? Wat kunnen de Nederlandse ecologen bieden? En wat zegt een cijfer…
dr. Peter Herman (hoofd Werkgroep Ruimtelijke Ecologie, NIOO-KNAW, Yerseke).
prof.ir. Klaas van Egmond (directeur Milieu- en Natuurplanbureau, RIVM)
drs. Pieter van Geel (staatssecretaris VROM, CDA)
11.20 uur Tweede debat: Ecologie & Economie
Economische welvaart en een gezond milieu: gaat dat samen? En waar stuurt de huidige regering op aan?
prof.dr. Arnold Heertje (econoom Universiteit van Amsterdam)
mr. Hans Pont (directeur generaal RIVM en voorheen o.a. Ministerie VROM en FNV)
12.10 uur (Ecologische) lunch
13.30 uur Akademielezing Ecology & Society (Engelstalig)
Wat is de betekenis van de ecologie voor de maatschappij - vroeger, nu en in de toekomst?
prof.dr. Charles Godfray (directeur NERC Centre for Population Biology, U.K.)
14.20 uur Derde debat: Ecology & Global Change/Biodiversity (Engelstalig)
Gaat het nu wel of niet slecht met planeet Aarde? Is het erg om soorten te verliezen en waarom? En waar gloren eventuele oplossingen…
dr. Jeff Harvey (NIOO-KNAW, Heteren)
dr. Jaap Hanekamp (Heidelberg Appeal Nederland)
15.10 uur Pauze
15.40 uur Vierde debat: Ecologie & Genetische Modificatie
Mogen we genetisch gemodificeerde gewassen ontwikkelen in Nederland? Of is het 'zinloos geweld'? Wat merken ecosystemen hiervan?
prof.dr. Michel Haring (Plantenfysiologie, Universiteit van Amsterdam)
prof.dr. Hans Tramper (Agrotechnologie en voedingswetenschappen, sectie proceskunde, Wageningen Universiteit)
16.30 uur Column Ecologie & Communicatie
Hoe communiceren wetenschappers en maatschappij met elkaar en wat valt daaraan te verbeteren? (Communicatie is ook het lustrumthema van het NIOO-KNAW.)
Rob van Hattum (inhoudelijk directeur science centre NEMO Amsterdam en wetenschapsjournalist VPRO)
16.50 uur 'Uitsmijter'
Aansluitend Borrel
WERELDWATERPLANT BLIJKT VAN ALLE MARKTEN THUIS: COMBINATIE VAN OVERLEVINGSSTRATEGIEËN ZORGT VOOR AANPASSING AAN KLIMAAT
NIEUWERSLUIS (Utr.) / WAGENINGEN – Een onopvallende waterplant kan in uiteenlopende klimaatregio’s overleven door drie overlevingsstrategieën naar believen te combineren. Haar naam is schedefonteinkruid, het krachtvoer van de zeldzame kleine zwaan. Ecoloog Jörn Pilon van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek NIOO-KNAW betrok fonteinkruidplanten (klonen!) van over het hele Noordelijke halfrond in zijn onderzoek. Op 3 september promoveert hij aan Wageningen Universiteit.
De meeste plantensoorten komen maar op een beperkt stukje van de aarde voor. De klimatologische omstandigheden bepalen daarbij de grenzen. Waarom is de onopvallende waterplant schedefonteinkruid wél een wereldburger? Waterplanten zijn in het algemeen wijder verspreid dan landplanten. Hoe spelen ze dat klaar? De verklaring daarvoor moeten we bij dit fonteinkruid zoeken in het uitgekiende groeigedrag.
Biologen onderscheiden drie manieren waarop een plantensoort zich kan redden onder uiteenlopende klimatologische omstandigheden: fenologische veranderingen, fenotypische plasticiteit en lokale adaptatie. Vrij vertaald: vermijden, tolereren of aanpassen. Jörn Pilon vond bij zijn waterplant bewijzen voor alledrie de evolutiestrategieën, maar dan wel in verschillende groeistadia van de plant.
Zo kiemen de knolletjes of ‘tubers’, die op mini-aardappels lijken, van planten afkomstig uit Noord-Europa pas bij hogere temperaturen vergeleken met die uit het zuiden. De knollen vermijden op die manier het risico van bevriezing in het noordelijke groeiseizoen. Tolerantie komt onder andere aan bod bij de vorm van stengels en bladeren. Deze plantenorganen voegen zich naar de omstandigheden waarmee ze in aanraking komen. Dit flexibele uiterlijk is te vergelijken met de kleding van de mens: een bikini op Hawaï, een wollen muts en wanten in Siberië. Een laatste fase in het leven van de waterplant is het aanmaken van de overlevingsknollen. In het zuiden van Europa groeien schedefonteinkruid-planten die bijna geen knolletjes krijgen gedurende het hele jaar. Omdat de winters daar zo zacht zijn, kan de plant gewoon overleven. In koudere streken sterven de stengels en bladeren ’s winters helemaal af en blijven alleen de knolletjes over. De knolloosheid is een vorm van lokale adaptatie, aanpassing aan één bepaalde omgeving dus.
Voor het vergaren van bewijs voerden Pilon en zijn collega-onderzoekers van het NIOO onder andere een zogenaamde transplantatieproef uit. Knolletjes van 54 verschillende plekken, van Rusland tot Noord-Afrika, kweekten zij op in zowel Noorwegen als Nederland en Spanje.
Het schedefonteinkruid valt met zijn dunne stengels en blaadjes niet op. "Toch is het een heel algemene plant in Nederland, en ver daarbuiten," weet Pilon. Bovendien speelt deze plant ook een belangrijke rol in het zoetwater-ecosysteem, zeker voor bepaalde trekvogels. Hongerige kleine zwanen putten veel energie uit de knolletjes op verschillende plaatsen langs hun trekroute van Noord-Rusland naar West-Europa en vice versa.
Het NIOO is het onderzoeksinstituut voor ecologie van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW). Het bestaat uit drie centra: voor ecologie van kust en zee, van het zoete water en van het land. Op het NIOO-Centrum voor Limnologie in Nieuwersluis richten de onderzoekers zich op het leven in en rond het zoete water.
Voor meer informatie:
- promovendus Jörn Pilon, NIOO-Centrum voor Limnologie, tel. 0294-239357 of 06-44534234.
- voorlichter ir. Froukje Rienks, NIOO-KNAW, tel. 0294-239303 / 06-10487481, f.rienks@nioo.knaw.nl, Rijksstraatweg 6, Nieuwersluis, Postbus 1299, 3600 BG Maarssen.
Illustratiemateriaal: een digitale tekening van schedefonteinkruid met de belangrijkste locaties waarvan planten onderzocht zijn (Bron: Jörn Pilon, NIOO-KNAW).
Proefschrift: Fennel pondweed: a world citizen. Geographic variation in life-cycle characteristics of the clonal water plant Potamogeton pectinatus L.
Een Nederlandse samenvatting van het proefschrift is beschikbaar.
MEDAILLE PRINS ALBERT I VOOR ZEEDESKUNDIGE CARLO HEIP
YERSEKE/PARIJS- Bioloog Carlo Heip heeft eind juni de Médaille Albert Ier, Prince de Monaco, ontvangen als eerbetoon voor zijn hele loopbaan als oceanoloog. Heip (56) is directeur van het Centrum voor Estuariene en Mariene Oecologie van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO-KNAW) te Yerseke. Daarnaast is hij bijzonder hoogleraar in Gent en Groningen.
Het Franse Institut Océanographique kent ieder jaar de 'Médaille Commemorative Albert Ier, Prince de Monaco, Prix Manley-Bendall' toe aan een Europees oceanoloog als waardering voor de gehele carrière. De Vlaming Carlo Heip van het NIOO-KNAW viel de eer te beurt om twee redenen. Ten eerste staat hij wereldwijd bekend om zijn onderzoek naar de ecologie van de 'meiofauna'. Onder meiofauna scharen we dieren van ongeveer één millimeter groot, die wel met MILJOENEN PER VIERKANTE METER op de zeebodem voorkomen. Dit zijn vooral nematoden, oftewel aaltjes. Heip bestudeert de (grote) betekenis van deze kleine bodembewoners voor het voedselweb in zee. Daarnaast is hij president van het netwerk van Europese mariene onderzoekstations MARS. De 'aandacht voor de bedreiging van de biodiversiteit in zee en het initiëren en het stimuleren van onderzoek hiernaar' in deze presidentsfunctie waardeerde het Parijse Comité de perfectionnement ook zeer.
Sinds de eerste medaille in 1947 gingen al vele bekende namen in de oceanologie Heip voor, zoals Bigelow, Zenkevitch, Margalef en COUSTEAU. Vooral de laatste is ook bij het grote publiek bekend. Het Institut Océanographique is aan het begin van de 20e eeuw opgericht door Prins Albert I van Monaco. Deze prins was een pionier in het oceanografische onderzoek. Het instituut beschikt over een vestiging in Monaco en in Parijs.
Het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO-KNAW) verdiept zich in de ecologie van land, zoet water en brak en zout water. Het Centrum voor Estuariene en Mariene Oecologie in Yerseke (Zld.) bestudeert het leven in de zee en in estuaria. De twee andere vestigingen zijn te vinden in Heteren en Nieuwersluis. Het NIOO is met ongeveer 250 medewerkers het grootste onderzoeksinstituut van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW). Dit jaar bestaat het NIOO in zijn huidige vorm tien jaar (www.nioo.knaw.nl/lustrum).
Meer informatie bij:
- prof.dr. Carlo Heip, NIOO-Centrum voor Estuariene en Mariene Oecologie, Yerseke, 0113-577445 (300), c.heip@nioo.knaw.nl
- wetenschapsvoorlichter Froukje Rienks, NIOO-KNAW, Postbus 1299, 3600 BG Maarssen, tel. 06-10487481 of 0294-239303, fax 0294-232078, e-mail f.rienks@nioo.knaw.nl
Homepage MARS: www.marsnet.nl
Homepage Institut Océanographique: www.oceano.org
WESTERSCHELDE WEL BETER, NIET GEZOND. WATER OVERVERZADIGD MET LACHGAS
YERSEKE/NIJMEGEN - Lachgas is een broeikasgas en het is bovendien betrokken bij de afbraak van de ozonlaag. Het gas is een van de vormen waarin het element stikstof kan voorkomen. De Westerschelde zit bomvol stikstof. Vandaag promoveert onderzoekster Monique Stolte-de Bie van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO-KNAW) aan de Katholieke Universiteit Nijmegen: "Hoewel de waterkwaliteit van de Schelde aan de beterende hand is, is er nog een lange weg te gaan tot een gezond estuarium."
De waterkwaliteit van de rivier de Schelde is de afgelopen 30 jaar sterk verbeterd. Dat blijkt onder andere uit de zuurstofmetingen die NIOO-promovendus Monique Stolte-de Bie heeft uitgevoerd (meer zuurstof). Vergeleken met andere estuaria op aarde blijkt de Westerschelde toch nog steeds het estuarium met de hoogste stikstof- en lachgasconcentraties.
Een estuarium is de plek waar rivier en zee elkaar ontmoeten. In Zuidwest-Nederland is de Westerschelde het enige intacte estuarium sinds de voltooiing van de Deltawerken. De Westerschelde wordt gekenmerkt door een hoge concentratie stikstof in het water. Dit komt door de lozing van afvalwater van steden als Brussel, Antwerpen en Gent, van industriegebieden en van landbouwgebieden langs de oevers van de Schelde.
Stikstof kan voorkomen als ammonium (NH4+), nitriet (NO2-), nitraat (NO3-), lachgas (N2O) of stikstofgas (N2). Bacteriën hebben hierbij een grote vinger in de pap: zij kunnen de verschillende vormen in elkaar omzetten. In deze stikstofkringloop zijn de processen van nitrificatie (ammonium > nitriet & nitraat) en denitrificatie (nitriet & nitraat > stikstofgas) het belangrijkst. Zo kan ammonium via nitriet/nitraat omgezet worden in stikstofgas, dat vervolgens vanuit het water de lucht in gaat. Dit is een NATUURLIJKE VORM VAN WATERZUIVERING. Helaas kan het proces ook 'ontsporen' en een ander gas opleveren: lachgas. Berekeningen van Stolte-de Bie tonen aan dat de Westerschelde bijna altijd oververzadigd is met lachgas. Het hier gevormde lachgas verdwijnt naar de atmosfeer, in totaal ongeveer 280 miljoen gram per jaar.
Vooral de industrie veroorzaakt de toename van het schadelijke lachgas in de atmosfeer, maar de natuur draagt hier dus ook aan bij. Daarom is het belangrijk te weten hoe de productie van lachgas in het water verloopt. De piek in de nitrificatie-activiteit (in het stroomopwaartse deel van het estuarium in de buurt van Antwerpen) valt samen met de maximale lachgasconcentratie. Het nitrificatie-proces blijkt een BELANGRIJKE BRON voor lachgas te zijn. Bij heel lage zuurstofconcentraties komt er het meeste lachgas vrij. (Overbemesting, eutrofiëring, van de rivier heeft ervoor gezorgd dat de zuurstofconcentratie in grote delen van het estuarium erg laag is). De aanwezigheid van zuurstof bepaalt of er lachgas ontstaat. De aanwezige hoeveelheid ammonium bepaalt als grondstof hoeveel er kan onstaan.
Stolte-de Bie ontdekte verder dat de soortensamenstelling van stikstofomzettende bacteriën verandert in de loop van het estuarium. Nitrificerende bacteriën zijn met een microscoop niet van elkaar of van andere bacteriën te onderscheiden. De NIOO-onderzoekster gebruikte daarom het DNA om iets over de identiteit van de bacteriegemeenschap te kunnen zeggen. De VERANDERENDE SOORTENSAMENSTELLING verraadt een actieve gemeenschap die de dynamische omstandigheden en de veranderingen van zout, zuurstof en ammonium in het estuarium goed kan opvangen. Het stukje DNA dat Stolte-de Bie het vaakste aantrof in de Westerschelde, bleek toe te behoren aan een bacteriesoort die ook in BRUSSELS RIOOLWATER rondzwemt. In dit rioolwater staat dan ook waarschijnlijk 'de wieg' van deze Schelde-bacteriën.
Het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO-KNAW) verdiept zich in de ecologie van land, zoet water en brak en zout water. Het Centrum voor Estuariene en Mariene Oecologie in Yerseke (Zld.) bestudeert het leven in de zee en in estuaria. De twee andere vestigingen zijn te vinden in Heteren en Nieuwersluis. Het NIOO is met ongeveer 250 medewerkers het grootste onderzoeksinstituut van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW). Dit jaar bestaat het NIOO in zijn huidige vorm tien jaar.
Meer informatie bij:
- wetenschapsvoorlichter Froukje Rienks, NIOO-KNAW, Nieuwersluis, Postbus 1299, 3600 BG Maarssen, tel. 06-10487481 of 0294-239303, fax 0294-232078, e-mail f.rienks@nioo.knaw.nl
- promovendus Monique Stolte, +46-70480405
- promotor prof.dr. Riks Laanbroek, NIOO-Centrum voor Limnologie, Nieuwersluis, 0294-239336, r.laanbroek@nioo.knaw.nl
Titel proefschrift: Factors controlling nitrification and nitrous oxide production in the Schelde estuary
OP VULKAANEILAND KRAKATAU: HERSTEL WOUD GAAT GEPAARD MET GENENDIVERSITEIT
HETEREN (Gld.)/UTRECHT/KRAKATAU – Regenwoudbomen die een nieuw stuk land koloniseren, bezitten een grote genetische variatie. Het Indonesische eiland Krakatau is een goede natuurlijke testcase voor verstoord tropisch regenwoud. Hier kruisen ook vijgensoorten, tegen de verwachting in. Een les voor de toekomst van natuurreservaten. Op 13 mei aanstaande promoveert Tracey Parrish van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO-KNAW) bij de Universiteit Utrecht, na een aantal tropische expedities en veel DNA-onderzoek.
Tropische regenwouden verdwijnen in een razend tempo van het aardoppervlak. Deze gebieden met de hoogste biodiversiteit ter wereld herbergen ingewikkelde ecosystemen. Kunnen zulke ecosystemen zich weer herstellen? De Indonesische eilandengroep Krakatau biedt een unieke mogelijkheid om dit te onderzoeken, nadat een legendarische vulkaanuitbarsting in augustus 1883 al het leven wegvaagde. Al snel daarna kwam het biologisch onderzoek (vanuit Nederlands-Indië) op gang. De situatie is vergelijkbaar met die van natuurreservaten van nu in een zee van cultuurland.
Onverwachts vond promovenda Tracey Parrish grote genetische variatie in alle vijf onderzochte boomsoorten. Voor het eerst onderzocht zij de genetische variatie binnen soorten aan de hand van DNA-patronen op Krakatau, andere eilanden in de Sunda Straat en het vaste land van Java en Sumatra ongeveer 40 km verderop. De genetische variatie op Krakatau was vergelijkbaar met die op het vaste land. Dit verraadt een goede zaadverspreiding.
"De resultaten van ons onderzoek suggereren een verband tussen een brede genetische basis en succesvol herstel van tropische regenwouden," concludeert Parrish. Onderzoeksbegeleider Peter van Dijk van het NIOO-KNAW: "Waarschijnlijk is genetische variatie belangrijk voor aanpassing en overleving van soorten in tropische ecosystemen met veel relaties tussen soorten. Met name voor langlevende boomsoorten die blootgesteld zijn aan snel-evoluerende parasieten en ziekteverwekkers." NWO subsidieerde dit project over de genetische gevolgen van (her)kolonisatie van biodiversiteit hot spots via het Prioriteitsprogramma ‘Biodiversiteit in Verstoorde Ecosytemen’, voortvloeiend uit het verdrag van Rio.
Drie van de onderzochte soorten waren vijgen (van het geslacht Ficus, ook bekend van kamerplanten). Voor vijgensoorten is de grote genetische variatie niet zo onverwacht: vele vogels en vleermuizen verspreiden de zaden (door uitpoepen na het eten van de vruchten) en vijgen behoorden daardoor tot de vroegste kolonisten van Krakatau. Maar hoe zit dat met boomsoorten die hun zaad minder makkelijk verspreiden? Parrish onderzocht Dysoxylum met grote zaden alleen verspreid door bepaalde duifachtige vogels en Oroxylum met grote door wind en water verspreide zaden. Beide soorten zijn minder talrijk aanwezig dan de vijgen en vestigden zich ook later (1932 resp. 1994). Als je maar een paar ‘kolonisten’ hebt, dan verwacht je een geringe genetische variatie te vinden (het founder effect). Dysoxylum en Oroxylum blijken echter net als de vijgen genetisch even variabel als op het vasteland.
Voor het eerst stelde Parrish met zekerheid vast dat vijgensoorten kunnen kruisen in de natuur. Vijgen vervullen een sleutelrol in tropische ecosystemen, omdat veel dieren ze tot voedsel hebben. Van vijgensoorten dachten we dat ze helemaal niet konden kruisen. Kleine vijgwespen zorgen voor de bestuiving en zo de voortplanting. Iedere vijgensoort is een monopolie voor een eigen gespecialiseerde vijgwesp. Maar als belangrijk effect van versnippering of isolatie van leefgebieden kunnen de bestuivende vijgwespen dus ‘vreemdgaan’.
Voor een succesvolle kolonisatie moeten zowel vijgen als vijgwespen de oversteek maken naar het nieuwe gebied. Al in 1906 vonden onderzoekers op de lavalaag van Krakatau bloeiende vijgen. De bijbehorende wespen arriveerden pas later. Parrish veronderstelt, dat toen één wespensoort zich op het eiland wist te vestigen deze vrij spel had. Ook in andere vijgensoorten dan de eigen. Dit ‘overspel’ stopte toen later de beter aangepaste, vijgensoort-specifieke wespen Krakatau bereikten. Op dit moment vindt vervolgonderzoek aan de vijgwespen plaats.
Is de boodschap van Krakatau positief? Het herstel van het regenwoud is op het eerste gezicht verbluffend. Bij nadere beschouwing staan er maar relatief weinig soorten, vooral met een goede zaadverspreiding en met name die uit de eerste (nog niet volwassen) fase van het regenwoud. Van Dijk: "Of de andere soorten uit het zogenaamde ‘primaire tropische regenwoud’ Krakatau ooit zullen bereiken is twijfelachtig, want de bronnen van deze soorten verdwijnen snel. Ook in het gebied van de Sunda Straat."
Het NIOO-KNAW is het onderzoeksinstituut voor ecologie van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW). Het bestaat uit drie centra: voor ecologie van kust en zee, van het zoete water en van het land. Op het NIOO-Centrum voor Terrestrische Oecologie in Heteren richten de onderzoekers zich op het leven op het land.
Voor meer informatie:
- Tracey Parrish, parrish_tracey@hotmail.com, +44-20-72622366 (tot 9 mei).
- Promotor Jos van Damme, NIOO-KNAW Centrum voor Terrestrische Oecologie, Postbus 40, 6666 ZG Heteren, 026-4791202, j.vandamme@nioo.knaw.nl.
- Co-promotor Peter van Dijk, NIOO-KNAW Centrum voor Terrestrische Oecologie, 06-15510360 (op 13 mei), v/a 14 mei 026-4791208, p.vandijk@nioo.knaw.nl.
- voorlichter Froukje Rienks, NIOO-KNAW, tel. 06-10487481 / 0294-239303, f.rienks@nioo.knaw.nl, Rijksstraatweg 6, Nieuwersluis, Postbus 1299, 3600 BG Maarssen.
NETWERKEN IN HET WATER
Onderwater leeft van alles. En dat leven eet en communiceert via netwerken. Watervlooien, vissen en algen kunnen bijvoorbeeld door chemische communicatie hun lot als hapklaar brok ontvluchten. Kennis over deze netwerken is belangrijk voor onder andere de restauratie van meren. Ook netwerken van onderzoekers, waterbeheerders en beleidsmakers zijn onmisbaar. Donderdag 18 april houdt prof.dr. Ellen van Donk, bijzonder hoogleraar in de limnologie, haar oratie aan de Katholieke Universiteit Nijmegen.
Maar driehonderdste procent van al het water op Aarde is zoet oppervlaktewater. De mens gebruikt dit intensief. We lozen er onze afvalstoffen in, gebruiken het voor drinkwater, voor recreatie, als kweekvijver voor voedsel, voor bevloeiing van gewassen en voor opwekking van energie. Geen wonder dat er een nijpend tekort aan schoon, zoet water is ontstaan. Het jaar 2003 is daarom door de Verenigde Naties uitgeroepen tot 'Het jaar van het zoete water'.
Limnologie is de wetenschap die dit zoete oppervlaktewater bestudeert. Honderd jaar geleden gaf hoogleraar Alphonse Forel de limnologie haar naam, afgeleid van het Griekse woord 'limne', wat meer, moeras of ook wel poel betekent. De biologische discipline binnen de limnologie richt haar aandacht vooral op de bestudering van de complexe interacties tussen waterorganismen onderling en hun milieu.
Recent onderzoek laat zien dat waterorganismen niet alleen met elkaar verbonden zijn via een 'voedselnetwerk', maar ook met elkaar communiceren via een 'informatienetwerk'. Sommige prooien zijn in staat hun aanvallers te signaleren via stoffen die deze aanvallers uitscheiden. De prooien reageren op de 'infochemicaliën' met één of ander verdedigingsmechanisme, zoals kolonievorming of stekels bij algen, helmvorming bij watervlooien en een hoge rug bij vissen.
Deze fenomenen zijn niet alleen wetenschappelijk interessant, maar ook belangrijk voor waterbeheerders. Zo blijkt het terugdringen van de fosfaatbelasting of de toepassing van actief biologisch beheer bij de restauratie van meren niet altijd succesvol, omdat de relaties tussen waterorganismen complexer zijn dan onderzoekers aanvankelijk aannamen.
Het Schure-Beijerinck-Popping fonds heeft de aanstelling van dr. Ellen van Donk als bijzonder hoogleraar Limnologie aan de KUN mogelijk gemaakt. Zij leidt op het NIOO-KNAW, Centrum voor Limnologie in Nieuwersluis een onderzoeksgroep op het gebied van de ecologie van het zoete water. De nieuwe leerstoel maakt deel uit van het Centrum voor Wetland Ecologie (CWE), een samenwerkingsverband tussen het NIOO-KNAW en de KUN.
Meer informatie is te verkrijgen bij:
- prof.dr. Ellen van Donk, NIOO-Centrum voor Limnologie, Rijksstraatweg 6 3631 AC Nieuwersluis, tel. 0294-239353, fax 0294-232224, e-mail e.vandonk@nioo.knaw.nl
- ir. Froukje Rienks, voorlichter NIOO-KNAW, Rijksstraatweg 6 3631 AC Nieuwersluis, tel. 0294-239303 (300) of 06-10487481, fax 0294-232078, e-mail f.rienks@nioo.knaw.nl
- afdeling communicatie KU Nijmegen, 024-361000
PIMPELMEESVROUW LEERT WANNEER EIEREN TE LEGGEN
HETEREN (Gld.) - Pimpelmezen kunnen leren van hun broedervaringen. De timing van het leggen van hun eieren stemmen ze af op hun ervaring met het voedselaanbod in het voorafgaande jaar. Morgen, vrijdag 5 april, verschijnen de onderzoeksresultaten van drie biologen van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO-KNAW) in Science.
Cruciaal voor de overleving van pimpelmeeskuikens is het samenvallen van het uitkomen van de eieren en de piek in het voedselaanbod (rupsen). Als SIGNALEN kunnen de vogels bijvoorbeeld gebruik maken van temperatuur, daglengte of de aanwezigheid van voedsel op het moment dat de eieren in aanleg zijn. Dr. Fabrizio Grieco, prof.dr. Arie van Noordwijk en dr. Marcel Visser van het NIOO-KNAW onderzochten of ook ervaringen uit eerdere jaren een rol spelen. De synchronisatie tussen het uitkomen van de eieren en het voedselaanbod van de broedpoging in het voorgaande jaar blijkt het leggedrag ook te beïnvloeden.
De onderzoekers gaven een deel van de pimpelmezen op Nationaal Park De Hoge Veluwe EXTRA VOEDSEL (insectenlarven) op het moment dat er kuikens waren. De vogels ervoeren op die manier een perfect samenvallend voedselaanbod en voedselvraag door hun jongen. De verwachting was dat deze mezenvrouwtjes in het volgende jaar op hetzelfde moment eieren leggen: de jongen hadden immers ruim te eten. (In de praktijk legden ze net ietsje later, omdat oudere kuikens meer bijgevoerd kregen en de moeders dit waarschijnlijk als late voedselpiek zagen). De controlegroep daarentegen kreeg geen extra voedsel voor de kuikens. Omdat de pimpelmezen te laat broedden om optimaal gebruik te maken van het voedselaanbod, ervoeren deze dieren dat ze 'te laat' waren. In het volgende jaar legden deze moeders dan ook eerder: ze leerden hun legdatum aan te passen.
"De vogels leren niet de verschillen tussen jaren in het algemeen, maar ze leren de timing van de rupsenpiek op hun eigen stekje kennen," benadrukt Fabrizio Grieco. Pimpelmezen broeden op uiteenlopende plekken, waardoor de voedselpiek daar flink eerder of later kan vallen in hetzelfde jaar. Op De Hoge Veluwe is dat al BINNEN EEN PAAR HONDERD METER afstand het geval. Eenmaal gekozen voor een bepaalde plek, dan blijft een mees daar zijn hele leven broeden. 'Het leren' moet in zo'n geval zijn vruchten afwerpen: meer jongen dus.
In de derde week van april beginnen de pimpelmezen gemiddeld met eieren leggen. Dat is al meer dan een week eerder dan in de jaren 1970. Kunnen pimpelmezen SNEL GENOEG LEREN om de klimaatsveranderingen, het gemiddeld steeds vroegere voorjaar, bij te houden? Grieco: "Door het leren kunnen pimpelmezen hun eieren goed timen, maar dat wil niet zeggen dat klimaatsveranderingen geen problemen opleveren. De temperatuursstijging kan wel zó snel gaan, dat er niet genoeg tijd is om vroegleggende vogels te selecteren."
Het NIOO-KNAW is het onderzoeksinstituut voor ecologie van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW). Het bestaat uit drie centra: voor ecologie van kust en zee, van het zoete water en van het land. Op het NIOO-Centrum voor Terrestrische Oecologie in Heteren richten de onderzoekers zich op het leven op het land.
Voor meer informatie:
- Fabrizio Grieco, tel. 0317-497713 (overdag) of 0317-428882 (privé), f.grieco@nioo.knaw.nl.
- Arie van Noordwijk, NIOO-Centrum voor Terrestrische Oecologie, tel. 026-4791258, a.vannoordwijk@nioo.knaw.nl, Boterhoeksestraat 48, 6666 GA Heteren.
- Marcel Visser, NIOO-Centrum voor Terrestrische Oecologie, tel. 026-4791253, m.visser@nioo.knaw.nl, Boterhoeksestraat 48, 6666 GA Heteren.
- voorlichter Froukje Rienks, NIOO-KNAW, tel. 06-10487481 / 0294-239303, f.rienks@nioo.knaw.nl, Rijksstraatweg 6, Nieuwersluis, Postbus 1299, 3600 BG Maarssen.
Artikel: Evidence for the Effect of Learning on Timing of Reproduction in Blue Tits. Fabrizio Grieco, Arie J. van Noordwijk, Marcel E. Visser. Science, 5 April 2002.
VAN DE KOEKOEKSBLOEMETJES EN DE BIJTJES: TROUWE BESTUIVINGSPARTNERS HOUDEN PLANTEN-SOA'S GESCHEIDEN
HETEREN (Gld.)/UTRECHT - Seksueel overdraagbare schimmel maakt koekoeksbloemen steriel, vrouwelijke bloemen tot transseksuelen en bestuivende insecten tot 'sporenpostbodes'. Twee nauw verwante soorten koekoeksbloemen hebben grotendeels hun eigen SOA-ras, ook als ze in de natuur naast elkaar groeien. Pim van Putten van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO-KNAW) ontdekte dat de trouw van bestuivers hier een grote rol speelt. Hij promoveert maandag 25 maart in Utrecht.
Ook planten kunnen lijden aan geslachtsziekten. De algemeen voorkomende dag- en avondkoekoeksbloem (Silene dioica en Silene latifolia) van de anjerfamilie zijn het slachtoffer van de brandschimmel Microbotryum violaceum. Bij een infectie steriliseert de schimmel de plant. De bloemen worden zo omgebouwd dat de schimmel zich kan voortplanten en verspreiden (via de 'voorheen mannelijke' meeldraden): geen stuifmeel maar bruine schimmelsporen kleven vast aan de bezoekende insecten. De schimmels LIFTEN MET DE INSECTEN MEE naar nieuwe planten.
Pim van Putten onderzocht het DNA van schimmels op zowel de roze dagkoekoeksbloemen als de witte avond-koekoeksbloemen. De ziekteverwekker blijkt twee verschillende rassen te hebben. SOA-schimmels van dezelfde koekoeksbloemsoort (dezelfde 'waardplant' of 'gastheer') lijken genetisch veel op elkaar, zelfs als ze uit Engeland of Frankrijk komen. Dit blijft grotendeels, maar niet helemaal, zo als de twee plantensoorten pal naast elkaar groeien in de natuur.
"Verrassend genoeg kunnen de schimmels van de avondkoekoeksbloem zich veel sneller voortplanten, ze PAREN SNELLER, dan het dagkoekoeksbloemenras," weet Van Putten, "ook als de avondkoekoeksbloemenschimmel op de andere bloemsoort groeit." Hoe houdt het langzamere ras dan toch stand in gemengde groepen planten?
"De trouw, of kieskeurigheid, van de bestuivende insecten houdt de schimmels voor een groot deel gescheiden. Anjeruiltjes, een soort nachtvlinders, bestuiven 's avonds de avondkoekoeksbloem en hommels en zweefvliegen overdag de dagkoekoeksbloem, al staan de planten door elkaar. Maar de laatste bestuivers gaan vaker vreemd dan de uiltjes," volgens Van Putten. Met behulp van FLUORESCEREND POEDER kwam dit aan het licht. Deze trouw is dus niet waterdicht, maar het verschil in bloeitijd en het groeien in groepjes van dezelfde plantensoort bijelkaar (ze houden elk van een iets andere omgeving) helpt mee bij de instandhouding van de verschillende schimmelrassen.
Dag- en avondkoekoeksbloemen kunnen ook onderling kruisen. De hybrideplanten die daaruit ontstaan leveren een interessante vervolgvraag op voor het onderzoek. Van Putten: "Kan een SOA-schimmelras via deze hybriden gemakkelijker 'OVERLOPEN' van soort naar soort?"
Het NIOO-KNAW is het onderzoeksinstituut voor ecologie van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW). Het bestaat uit drie centra: voor ecologie van kust en zee, van het zoete water en van het land. Op het NIOO-KNAW-Centrum voor Terrestrische Oecologie in Heteren richten de onderzoekers zich op het leven op het land.
Voor meer informatie:
- promovendus drs. Pim van Putten, 06-22464520 (mobiel), 050-3632132 (ma/di/woe), w.f.van.putten@biol.rug.nl.
- co-promotor dr. Arjen Biere, NIOO-KNAW-Centrum voor Terrestrische Oecologie, tel. 026-4791212, a.biere@nioo.knaw.nl, Boterhoeksestraat 48, 6666 GA Heteren.
- voorlichter ir. Froukje Rienks, NIOO-KNAW, tel. 0294-239303 / 06-10487481, f.rienks@nioo.knaw.nl, Rijksstraatweg 6 Nieuwersluis, Postbus 1299, 3600 BG Maarssen.
Titel proefschrift: On host race differentiation in smut fungi.
Met een samenvatting in het Nederlands.
EERSTE DAG NATIONAAL BIODIVERSITEITSYMPOSIUM: BIODIVERSITEIT IN AGRARISCH LANDSCHAP
WAGENINGEN/NIJMEGEN/NIEUWERSLUIS - Landbouw en natuur hebben (nog) geen gelukkig huwelijk. Biodiversiteit is het kind van de rekening. In voorbereiding op de grote COP6 biodiversiteitconferentie van de Verenigde Naties in april in Nederland bespreekt een keur van internationale onderzoekers hun resultaten én hun visies. Morgen, vrijdag 15 maart, in Wageningen.
De biodiversiteit in agrarische landschappen is de laatste tientallen jaren sterk gedaald. Hoe komt dit precies en hoe kunnen we dit diversiteitsverlies stoppen? Hiervoor moeten we in relaties en processen duiken als bestuiving, plantenvraat en habitatversnippering. De sprekers bediscussiëren ook de mogelijkheden voor de combinatie van natuurbehoud en boeren op grond van de huidige ecologische kennis.
De organisatoren van het biodiversiteitsymposium zijn Wageningen Universiteit, het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO-KNAW), de Katholieke Universiteit Nijmegen en de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO).
Een voorschot:
Teja Tscharntke (University of Göttingen): "In gefragmenteerde akker/weide-landschappen kan de verstoring van de continuïteit van de habitat gepaard gaan met een verstoring van relaties tussen soorten. Dit toont HET FUNCTIONELE BELANG VAN BIODIVERSITEIT.'
Felix Wäckers (NIOO-KNAW en Wageningen Universiteit): "Ondanks de toegenomen populariteit van roofinsecten en sluipwespen voor biologische bestrijding, weten we weinig van de manier waarop extra plantensoorten op en bij de akker de effectiviteit van deze bestrijders beïnvloedt."
Dan Chamberlain (British Trust for Ornithology): "Wij denken dat een algemene extensivering van de landbouw, meer dan beheersvoorschriften voor individuele soorten, waarschijnlijk de vogelgemeenschap op landbouwgronden zal verbeteren."
William Sutherland (University of East Anglia): "COMBINEER doelgerichte beheersovereen-komsten met grootschalige habitatrestauratie. Zo kunnen we verschillende problemen tegelijkertijd aanpakken, zoals zeespiegelstijging en overstroming van rivieren."
David Kleijn (Wageningen Universiteit): "Een uitgebreid onderzoek in Nederland bewijst dat de soortenrijkdom van de doelgroepen (vogels en planten) niet toenam na de introductie van beheersovereenkomsten. […] De interacties tussen natuurbeheer en de condities in de omgeving kunnen EEN SLEUTEL ZIJN TOT EFFECTIEVE BEHEERSOVEREENKOMSTEN."
Jan Bakker (Rijksuniversiteit Groningen): "Het type plantengemeenschappen van belang voor natuurbehoud of -herstel in agrarische landschappen moet zowel op nationaal als Europees niveau bekeken worden."
Geert de Snoo (Universiteit Leiden): "Pesticiden gebruikt op akkers zouden daarbuiten de biodiversiteit van bijvoorbeeld hagen en slootkanten op grote schaal kunnen aantasten. Verrassend genoeg zijn tot nu toe maar heel weinig gegevens uit het veld beschikbaar om dit te testen."
Jeff Harvey (NIOO-KNAW): "Het verbeteren van de slechte staat van dienst van landbouw wat betreft biodiversiteit blijft EEN GROTE UITDAGING VOOR WETENSCHAPPERS EN BELEIDSMAKERS."
Donderdag 28 maart vindt de tweede, algemene symposiumdag plaats: Biodiversity - a driving force of life. Zie de website www.currentthemesinecology.nl voor meer informatie.
De reeks Current Themes in Ecology behandelt actuele, brede ecologische onderwerpen. Ecologen van Wageningen Universiteit, de Katholieke Universiteit Nijmegen en het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO-KNAW) organiseren twee afleveringen per jaar. De volgende afleveringen gaan over ruimtelijke ecologie (november 2002), global ecology en experimentele evolutie.
Voor meer informatie:
- voorlichter ir. Froukje Rienks, tel. 06-10487481 / 0294-239303, f.rienks@nioo.knaw.nl, NIOO-KNAW, Rijksstraatweg 6 Nieuwersluis, Postbus 1299 3600 BG Maarssen
- organisator prof.dr. Frank Berendse, 0317-484973, Wageningen Universiteit, frank.berendse@staf.ton.wau.nl
- dagvoorzitter prof.dr. Hans de Kroon, 024-3653380, Katholieke Universiteit Nijmegen, hans.dekroon@sci.kun.nl
Website Current Themes: www.currentthemesinecology.nl
Hier zijn o.a. de samenvattingen van de voordrachten in te zien.
De voertaal op het symposium is Engels.
Locatie: Wageningen International Conference Centre (WICC), Lawickse Allee 9, Wageningen
PROGRAMMA BIODIVERSITY IN AGRICULTURAL LANDSCAPES
15 maart 2002, Wageningen
09.30-10.00 Registration and coffee
10.00-10.40 Prof.Dr. Teja Tscharntke (University of Göttingen):
Biodiversity and plant-insect interactions in the agricultural landscape
10.40-11.20 Dr. Felix Wäckers (NIOO-KNAW Heteren, Wageningen University):
Can we tailor diversity in agro-ecosystems to optimize biological control?
11.20-12.00 Dr. Dan Chamberlain (British Trust for Ornithology):
Agricultural intensification and declining farmland birds: Evidence from monitoring studies
12.00-13.00 Lunch
13.00-13.40 Prof.Dr. William J. Sutherland (University of East Anglia):
Roles of genetically modified organisms, intensive agriculture, agri-environment schemes and wilderness in the agricultural landscape?
13.40-14.20 Dr.Ir. David Kleijn (Wageningen University):
Agri-environment schemes: from intentions to achievements
14.20-15.00 Prof.Dr. Jan Bakker (Groningen University):
Restoration of plant species diversity in agricultural landscapes
15.00-15.30 Tea
15.30-16.10 Dr. Geert de Snoo (Leiden University):
Impacts of pesticide drift on biodiversity
16.10-16.50 Dr. Jeff Harvey (NIOO-KNAW Heteren):
Sustainable development, maintaining agricultural output, and conserving biodiversity: challenges for ecologists
SUIKERSNOEPJES EN ZEEBODEMLIJM: KIEZELWIEREN SCHEIDEN HEEL VERSCHILLENDE SUIKERS AF
YERSEKE (Zld.) / NIJMEGEN - Piepkleine organismen als kiezelwieren kunnen erosie van grote, belangrijke slikplaten in het kustgebied (tijdelijk) voorkómen. De suikers die ze afscheiden zorgen voor een stevige 'biofilm' boven op de modder. Ook kunnen de kiezelwieren zich daardoor bewegen. Een ander type suikers vormt buiten de cel een grote mondvoorraad voor de donkere nacht. 'Slikbioloog' Jody de Brouwer van het NIOO-KNAW promoveert 4 maart a.s. in Nijmegen.
Met de ontdekking dat een kiezelwier op een slikplaat niet één maar twee typen suikers uitscheidt, lost De Brouwer een hoop tegenstrijdigheden uit de wetenschappelijke literatuur op. "Het vaststellen van het verschil in samenstelling van de suikers is essentieel. Er gaapte een gat in de kennis," zegt hij. De marien microbioloog van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO-KNAW) in Yerseke moest om dat gat te dichten wel het lab en overal in Europa TOT OVER ZIJN KNIEËN DE MODDER IN.
De eencellige kiezelwieren of diatomeeën van nog geen tiende millimeter groot hebben een soort 'doosje' van kiezelzuur om zich heen. Vanuit dit doosje scheiden ze stoffen af, EPS of extracellulaire polymere substanties genoemd, en dat zijn voor 95 procent suikers. De kleine algjes zorgen goed voor zichzelf. Overdag maken ze zoveel mogelijk makkelijk afbreekbare suikers (vol glucose) en slaan die WEGENS GEBREK AAN OPSLAGCAPACITEIT buiten hun cel op, om die 's nachts weer op te peuzelen als er geen licht en dus geen energie binnenkomt. "Dit type EPS vormt de snoepjes van het sediment, ook voor de daar aanwezige bacteriën waarschijnlijk," zegt De Brouwer. Het tweede type suikers speelt een rol bij het invangen en vastplakken van de organismen en de slibkorrels van de zeebodem, én bij de voortbeweging van de kiezelwieren naar een gunstigere omgeving. Deze suikers blijken een andere samenstelling te hebben: rijk aan galactose-suiker en uronzuren, zure suikers met bindingsmogelijkheden voor sedimentkorrels. Bovendien vindt de productie hiervan gedurende het hele etmaal plaats.
Op de vaak overspoelde slikplaat in de Westerschelde lijkt niks te groeien. Schijn bedriegt! Over het oppervlak ligt een bruinige waas van diatomeeën, samengekit tot een 'biofilm' of 'diatomeeënmat'. Deze mat is een veilige omgeving voor een kiezelwier, beschermd tegen de extreme invloeden van buitenaf. Maar het beschermt ook de hele slikplaat tegen erosie door wind en golven. Modellen gebaseerd op puur natuurkunde kunnen de vorming en dynamiek van slikplaten niet verklaren: er moest een biologisch onderdeel zijn. De 'biologische' diatomeeënmatten hebben inderdaad een groot effect op de platen. Vooral in het voorjaar groeien ze er massaal. Daarna breken EEN LEGER AAN GRAZENDE DIERTJES en harde wind de beschermlaag. De plaat is dan inmiddels wel enkele centimeters opgehoogd en heeft andere 'bewoners' gekregen. Wat zou er van de slikplaten overblijven als er niet ieder voorjaar meegebouwd zou worden door de kiezelwieren?
Slikplaten zijn hoogproductieve delen van het kustgebied, van een estuarium. Ze vormen de voedselbron voor vele kustvogels en de schuilplek voor jonge vissen. Diatomeeën zijn op slikplaten de belangrijkste 'planten' - ze leggen koolstof vast via fotosynthese - en vormen zo de basis voor dit ecosysteem. Een groot deel van de koolstof scheiden ze weer af: 40 tot 70 procent komt als suiker (EPS) naar buiten. Slikplaten spelen een belangrijke rol bij de bescherming van de kust tegen erosie en overstroming. De mini-algen beïnvloeden zo het sedimenttransport in het hele estuarium. De Brouwer: "Een beter begrip van de dynamiek van deze platen is onmisbaar voor goed kustbeheer, voor verklaringen en voorspellingen. Dat is nodig ook. De vruchtbare estuaria zijn tenslotte DE DICHTSTBEVOLKTE GEBIEDEN TER WERELD."
Het NIOO-KNAW is het onderzoeksinstituut voor ecologie van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW). Het bestaat uit drie centra: voor ecologie van kust en zee, van het zoete water en van het land. Op het NIOO-KNAW-Centrum voor Estuariene en Mariene Oecologie in Yerseke richten de onderzoekers zich op het leven in het zoute en het brakke water.
Voor meer informatie:
- promovendus drs. Jody de Brouwer, tel. 0113-577479, j.debrouwer@nioo.knaw.nl, NIOO-KNAW-Centrum voor Estuariene en Mariene Oecologie, Postbus 140, 4400 AC Yerseke.
- voorlichter ir. Froukje Rienks, tel. 06-10487481 / 0294-239303, f.rienks@nioo.knaw.nl, NIOO-KNAW, Rijksstraatweg 6, Nieuwersluis, Postbus 1299, 3600 BG Maarssen.
Titel proefschrift: Dynamics in extracellular carbohydrate production by marine benthic diatoms.
VERLAAT EFFECT VAN AFSLUITING DELTA-ARM: BODEMDIERENREVOLUTIE IN DE GREVELINGEN
YERSEKE (Zld.) - Tijdens het bezoek van Willem Alexander en Máxima eind oktober lichtten de onderzoekers van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO-KNAW) te Yerseke al het eerste tipje van de sluier op. In het Grevelingenmeer is de bevolking van de vroegere zeebodem de afgelopen tien jaar sterk veranderd. Waren er eerst veel schelpdieren, nu domineren de wormen. De afsluiting van deze Delta-arm heeft 30 jaar later grote gevolgen.
"De gegevens van 1990 tot 2000 laten duidelijk een verschuiving zien in de bodemfauna van de Grevelingen," zegt ecoloog Herman Hummel van het NIOO-KNAW. Hummel en zijn collega's volgen in opdracht van Rijkswaterstaat het bodemleven in de hele Delta: het zogenaamde 'monitoren'. "De nieuwe gegevens van de 'MONSTERTOCHT' dit najaar bevestigen het beeld definitief."
Waarom is de bodembevolking zo sterk veranderd in het Grevelingenmeer? Eerst werd aangenomen dat de oorzaak lag bij de stoffen die schippers op hun schepen smeren om de aangroei van allerlei beestjes en algen tegen te gaan: de zogenaamde antifouling agents zoals koper en tributyltin (TBT). Slakjes raken er bijvoorbeeld steriel van en sterven daardoor op den duur uit. Deze verontreinigingen namen de laatste tien jaar juist sterk af en verklaren de bodemdierenrevolutie dus niet.
"De afsluiting van de Grevelingen is waarschijnlijk wel de oorzaak," stelt Hummel. Sinds 1971 sluiten Deltaplan-dammen het water af van de zee. "De diepe stukken water SLIBBEN DICHT en dit vormt mogelijk een aanzet tot de veranderingen bij het bodemleven. Verontreinigende stoffen kunnen ook een oorzaak zijn." Waarom dit effect zo naijlt, is nog onbekend. Wellicht heeft het langer geduurd, doordat het waterbeheer na de afsluiting behoorlijk varieerde.
Tot 1990 werd de waterbodem met name bevolkt door schelpdieren zoals mosselen en kokkels en allerlei slakjes, waaronder wadslakjes en alikruiken. Vanaf dat jaar nemen de aantallen af en enkele soorten zijn zelfs helemaal verdwenen. De zeeanemonen leven dan tijdelijk op (1992-1996), waarna de 'vloer' definitief vrij is voor wormen zoals ZAGERS. Hummel: "De wormen waren al aanwezig, maar nu zijn ze overal in de Grevelingen de belangrijkste bodemdieren." De gevolgen zijn in het hele ecosysteem van de Grevelingen te merken. Zo is er voor schelpdiereters als duikeenden nauwelijks eten meer te vinden.
In de noord-arm van de OOSTERSCHELDE begint zich sinds 1998 een soortgelijke verandering voor te doen. Na de afsluiting van de riviertoevoer door de Philipsdam (1987) is de dynamiek hier sterk verminderd, netzo als in de Grevelingen. In de diepe gedeeltes staat waarschijnlijk ook een bodemdierenrevolutie in de startblokken. "Volgend jaar weten we het zeker," voorspelt Hummel.
Het NIOO-KNAW is het onderzoeksinstituut voor ecologie van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW). Het bestaat uit drie centra: voor ecologie van kust en zee, van het zoete water en van het land. Op het NIOO-KNAW-Centrum voor Estuariene en Mariene Oecologie in Yerseke richten de onderzoekers zich op het leven in het zoute en het brakke water.
Voor meer informatie:
- onderzoeker dr. Herman Hummel, tel. 0113-577484, h.hummel@nioo.knaw.nl, NIOO-KNAW-Centrum voor Estuariene en Mariene Oecologie, Postbus 140 4400 AC Yerseke.
- voorlichter ir. Froukje Rienks, tel. 0294-239303 / 06-10487481, f.rienks@nioo.knaw.nl, NIOO-KNAW, Rijksstraatweg 6, Nieuwersluis, Postbus 1299, 3600 BG Maarssen.
De monstertochten vinden volgend jaar in april en in september plaats met schepen van Rijkswaterstaat. Monster een keer aan.
INGENIEUZE SLUIPWESPEN. INSECTEN ALS DRUGSHOND, MIJNDETECTOR OF RECHERCHEUR
HETEREN (Gld.) - "Overal waar we nu honden voor speurwerk inzetten, kunnen we in de toekomst sluipwespen gebruiken," stelt Felix Wäckers van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO-KNAW). Op 19 november organiseert hij een minisymposium voor collega-onderzoekers over 'bioindicatoren' en 'biosensoren'.
"De antennes van sluipwespen zijn voor sommige stoffen zelfs nog gevoeliger dan een hondenneus." Wäckers houdt legio toepassingen voor mogelijk. Dat sluipwespen gebruikt kunnen worden om mijnen of explosieven op te sporen, is inmiddels aangetoond. Daarnaast denkt hij aan het inzetten bij het controleren op drugs, het herkennen van ziekteverschijnselen onder planten, dieren en mensen en het opsporen van slachtoffers van moorden. Ook voor het detecteren van BIOLOGISCHE EN CHEMISCHE WAPENS kunnen sluipwespen een oplossing bieden. "Dit werk wordt in de Verenigde Staten intensief gestimuleerd en sinds kort staat het ook internationaal in de belangstelling. Het feit dat Nederland op dit gebied een wezenlijke bijdrage heeft geleverd is echter grotendeels onbekend," volgens Wäckers.
De toepassingen zijn gebaseerd op het leervermogen van de minuscule insecten. Mensen kunnen hen aanleren om bepaalde stoffen te herkennen en om dan vervolgens een signaal af te geven. Sluipwespen zijn vaak maar een paar millimeter groot. Deze verwanten van wespen en mieren leggen hun eieren in andere insecten zoals rupsen, EUFEMISTISCH DE 'GASTHEREN' genoemd. Wäckers werkt al jaren met deze dieren. Sommige soorten kunnen hun eieren in allerlei soorten gastheren kwijt. De antennes van deze soorten sluipwespen (de 'generalisten') zijn gevoelig voor een scala aan stoffen. In samenwerking met de groep van dr. Joe Lewis is tweeëneenhalf jaar geleden al aangetoond dat je deze sluipwespen volledig nieuwe stoffen kunt leren. Dit was een project voor het Defense Advanced Research Projects Agency (DARPA) in de Verenigde Staten. Recent is er voor deze toepassing een internationaal patent goedgekeurd: 'Utilisation of invertebrate learning for flexible and sensitive monitoring and identification of chemicals'.
Hoe ontwikkel je uit lerende sluipwespen een biosensor? Wäckers: "Als een sluipwesp een geleerde stof, bijvoorbeeld springstof, herkend heeft, moet hij vervolgens een specifiek signaal afgeven. Wij hebben bijvoorbeeld een soort PAVLOV-REACTIE gebruikt, waarbij we een nieuwe geur koppelen aan een ervaring met voedsel. De getrainde sluipwespen steken vervolgens hun monddelen uit zodra ze de geurstof ruiken (het kwijlen van de hond van Pavlov)." Vervolgens hebben ze een apparaat ontwikkeld om dat gedrag te registeren. "Mijnen geven in hele lichte mate springstof af. Sluipwespen konden we hier inderdaad op trainen." Aan het functioneel maken van dit onderzoek voor verschillende toepassingen werken onderzoekers in Amerika nu verder. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat er op den duur geen honden meer een mijnenveld in hoeven.
Een andere mogelijkheid is het gebruiken van het aangeboren vermogen van een sluipwesp om een bekende stof op te sporen. Jan van der Pers van het bedrijfje Syntech spoort plaaginsecten op met behulp van de feromonen die ze zelf uitscheiden. De antennes van de mannelijke plaaginsecten pakken deze stoffen feilloos op. Van der Pers heeft pionierwerk verricht voor de toepassing van insecten als biosensor. Deze Nederlandse inbreng is erg onbekend volgens Wäckers.
Eric Smit van het RIVM zal spreken over het inschakelen van micro-organismen als indicator voor de bodemkwaliteit.
Het NIOO-KNAW is het onderzoeksinstituut voor ecologie van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW). Het bestaat uit drie centra: voor ecologie van kust en zee, van het zoete water en van het land. Op het NIOO-KNAW-Centrum voor Terrestrische Oecologie in Heteren richten de onderzoekers zich op het leven op het land.
Voor meer informatie:
- onderzoeker en organisator dr. Felix Wäckers, tel. 026-4791306, f.wackers@.nioo.knaw.nl, NIOO-KNAW-Centrum voor Terrestrische Oecologie, Postbus 40, 6666 ZG Heteren.
- voorlichter NIOO-KNAW ir. Froukje Rienks, tel. 0294-239303 / 06-10487481, f.rienks@nioo.knaw.nl, Rijksstraatweg 6 Nieuwersluis, Postbus 1299 3600 BG Maarssen.
De drie lezingen van het minisymposium worden gegeven voor een wetenschappelijk publiek, met als voertaal Engels.
Locatie: NIOO-KNAW-Centrum voor Terrestrische Oecologie,
Boterhoeksestraat 48,
Heteren (Gelderland; in de buurt van Wageningen).
Programma Bio-indicators and insects as biosensors
Maandag 19 november 2001
10.30 uur Eric Smit (RIVM)
Microbial indicators for soil quality and their use to study the impact of GMM's
11.15 uur Felix Wäckers (NIOO-KNAW)
Insects as biosensors: potential applications
11.45 uur Jan van der Pers (Syntech)
Insects linked to electronics make powerful biosensors
GENOMICS FOR NATURE SYMPOSIUM OVER PLAATS GENENONDERZOEK IN ECOLOGIE
WAGENINGEN/NIJMEGEN/HETEREN - Vrijdag 2 november geven acht biologen genomics zijn plaats binnen de ecologie.
Tot nu toe brachten de meeste mensen genomics in verband met de biomedische en agrofood vakgebieden.
Dat dit genenonderzoek een steeds grotere rol speelt in de ecologie is nog vrij onbekend. Een pleidooi voor environmental - of ecological - genomics!
De genomics technieken bieden ecologen de kans om vragen te beantwoorden die ze tot voor kort niet eens durfden te stellen. Environmental genomics draait om het toepassen van genomics in natuurlijke systemen in hun natuurlijke omgeving. Welke organismen zijn er, wat doen ze en hoe doen ze het? Het programma van dit symposium loopt van de kijk van de ontwikkelingsbioloog tot het overzicht van de ecoloog. Wat zijn de toepassingen bij planten en dieren? En micro-organismen vormen de grootste bron van diversiteit in genen en functies. De sprekersgroep is een verzameling van binnenlandse en buitenlandse experts.
Kate Lessells sluit het programma af: "In vergelijking met genomics lijkt de traditionele ecologie een achterhaalde dinosaurus uit het pre-genomics tijdperk. Brede ecologische theorie blijft echter nodig voor het begrip. In plaats van ecologie te vervangen, zal genomics ecologie completeren bij onze pogingen om te begrijpen hoe organismen op elkaar en hun omgeving reageren."
Het programma:
09.30 - 10.00 Welkom en koffie
10.00 - 10.40 Dr. Stephen Wicks en Prof. Dr. Ronald Plasterk (Netherlands Institute for Developmental Biology, The Hubrecht Laboratory, Utrecht)
SNPs in C. elegans: mapping the eddies of evolution?
10.40 - 11.20 Dr. Marta L. Wayne, (University of Florida) en Dr. Lauren M. McIntyre (West Lafayette)
Discovering Candidate Genes De Novo: Integration of Microarray and Quantitative Genetics
11.20 - 12.00 Prof. Dr. David Baulcombe, (Sainsbury Laboratory, John Innes Centre, Norwich)
Fast forward genomics using gene silencing technology in plants
12.00 - 13.00 Lunch (s.v.p. voor opgeven)
13.00 - 13.40 Dr Philippe Reymond en Prof Dr. Edward E. Farmer, (Gene Expression Laboratory , Institute of Ecology, University of Lausanne)
Expression profiling in plant defence
13.40 - 14.20 Prof. Dr. Rens Voesenek, (Plant Ecophysiology, Utrecht University)
The mechanism of flooding-induced shoot elongation: an eco-molecular approach
14.20 - 14.50 Dr. George A. Kowalchuk, (Netherlands Institute of Ecology, Heteren)
Genomics and Microbial Ecology: Potential and Possibilities
14.50 - 15.20 Thee
15.20 - 15.50 Prof. Dr. Willem M. de Vos, (Laboratory of Microbiology and Wageningen Center for Food Sciences, Wageningen University)
Functional and Comparative Genomics of Low GC Gram Positive Bacteria: From Environment to Application
15.50 - 16.20 Dr. Kate Lessells, (Netherlands Institute of Ecology, Heteren)
Letting the genomics-genie out of the bottle: can genomics replace ecology?
16.20 - Discussie
In de symposiumreeks Current Themes in Ecology komen achter elkaar actuele, brede thema's binnen de ecologie aan bod. De serie is voor en door ecologen. Wageningse ecologen organiseerden een paar jaar terug de eerste serie. Inmiddels hebben zij zich verspreid over Nederland. De organisatoren van deze nieuwe reeks eendaagse symposia zijn ecologen van de Katholieke Universiteit Nijmegen, Wageningen Universiteit en het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO-KNAW). De volgende afleveringen gaan in op: biodiversiteit in een agrarisch landschap, global ecology, ruimtelijke ecologie en experimentele evolutie.
Voor meer informatie:
Wetenschapsvoorlichter NIOO-KNAW Froukje Rienks, tel. 0294-239303 / 06-10487481, f.rienks@nioo.knaw.nl, Rijksstraatweg 6, Nieuwersluis, Postbus 1299, 3600 BG Maarssen.
Bij deelname s.v.p. een berichtje aan Froukje Rienks. Met name voor de aantallen lunches is dit erg handig!
De voertaal op het symposium is Engels.
Website Current Themes symposiumreeks: www.currentthemesinecology.nl
Hier zijn de samenvattingen van de lezingen te vinden en een voorwoord van de organisatie.
Algemeen e-mailadres: currentthemes@nioo.knaw.nl
STELTLOPERS HEBBEN GEEN KAPITAAL. KLEINE TREKVOGELS HALEN ENERGIE VOOR EIEREN UIT SNEEUWRIJKE BROEDGEBIED ZELF
NIEUWERSLUIS (Utr.) - Een 20 jaar oude wetenschappelijke kwestie is beslecht. Steltlopers, kleine vogels zoals bontbekplevier en paarse strandloper, die naar het Noordpoolgebied trekken om te broeden, nemen geen voorraad eten mee van huis. In plaats daarvan doen ze wat ecologen voor bijna onmogelijk hielden: ze vinden rond het nest in de nog besneeuwde toendra voldoende voedsel om snel hun eieren te leggen. Marcel Klaassen van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO-KNAW) en zijn medeauteurs melden dit in Nature van 25 oktober.
Tijdens een expeditie in arctisch Canada en Groenland verzamelden NIOO-KNAW-ecoloog Klaassen en zijn collega's Åke Lindström (Lund University, Zweden), Hans Meltofte (National Environmental Research Institute, Denemarken) & Theunis Piersma (Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee en Rijksuniversiteit Groningen) veren en niet-uitgekomen eieren van tien soorten steltlopers. Hiervan vergeleken ze de ISOTOOPVERHOUDING voor koolstof. Van koolstofatomen bestaan twee stabiele varianten of isotopen (12C en 13C) en de verhouding hiertussen verschilt per milieu.
De veren van de volwassen vogels WEERSPIEGELEN HET DIEET uit het overwinteringsgebied: een zelfde isotoopverhouding als de kleine voedseldieren in brakke estuaria. In die periode ruien ze de meeste veren namelijk. De inhoud van de eieren en het dons van de kuikens verraden evenzo de herkomst van de voedingsstoffen die de moeder in de eieren gestopt heeft. De isotoopverhouding komt hier overeen met voedsel van de toendra: land- en zoetwaterdiertjes. Hetzelfde geldt voor de veren van jonge vogels die al zelf voedsel zoeken op de toendra. Klaassen vult aan: "Toen ik de eerste resultaten binnen kreeg, was ik erg verbaasd. Ik had heel andere patronen verwacht."
Sinds 1980 maken ecologen onderscheid tussen 'kapitaalbroeders' en 'inkomenbroeders' onder de vogels. Kapitaalbroeders broeden als RENTENIER van hun meegenomen vet- en eiwitvoorraad (uit het overwinteringsgebied of de 'tankstations' onderweg). Inkomenbroeders daarentegen verdienen hun voedingsstoffen door te eten in het broedgebied zelf. Trekvogels die in het hoge noorden broeden, zouden hun kapitaal mee moeten brengen om te kunnen broeden. De zomer is daar erg kort en bij aankomst zou er geen tijd en niet voldoende eten zijn om 'broedenergie' op te doen. Nu blijkt dat steltlopers absoluut niet aan dit beeld voldoen: het zijn inkomenbroeders.
Het voordeel van het meedragen van grote voedselvoorraden vanuit de overwinteringsgebieden weegt bij steltlopers niet op tegen het nadeel van de hoge 'transportkosten'. Ze hebben wel een voorraadje voor onderweg en voor als ze net aankomen in het broedgebied: dat is onmisbaar. Maar ook nog extra voor het eieren leggen meesjouwen blijkt onhandig. Een kleine strandloper van bijvoorbeeld 30 gram legt een nest met vier eieren van wel 24 gram totaal. Klaassen: "Een gram lichaamsgewicht is niet hetzelfde als een gram ei, maar dit maakt wel duidelijk dat het voor een kleine steltloper een enorme klus is om kapitaalbroeder te zijn." Grotere, zwaardere soorten arctische broedvogels - denk aan ganzen - zijn wellicht wel kapitaalbroeders. Nog niet gepubliceerd onderzoek van Klaassen aan Canadese sneeuwganzen duidt hier op. Waarschijnlijk hebben zij minder last van extra gewicht. De vliegkosten schieten niet zo snel omhoog en ze zijn ook niet snel te log om aan roofvogels te ontsnappen. Bovendien duurt de broedtijd bij grote vogels langer dan bij kleine, zodat ze VEEL MEER HAAST hebben tijdens de korte poolzomer. Met een eigen voorraad 'op zak' kan een gans meteen beginnen met broeden.
Het NIOO-KNAW is het onderzoeksinstituut voor ecologie van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW). Het bestaat uit drie centra: voor ecologie van kust en zee, van het zoete water en van het land. Op het NIOO-KNAW-Centrum voor Limnologie in Nieuwersluis richten de onderzoekers zich op het leven in en rond het zoete water.
Voor meer informatie:
- Onderzoeker dr. Marcel Klaassen, NIOO-KNAW-Centrum voor Limnologie, Nieuwersluis. Hij verblijft op dit moment in Australië en is bereikbaar via: e-mail klaassen@bio.usyd.edu.au, tel. +61-293515611 (van ca. 2.15-8.30 uur onze tijd), of +61-295440416 (privé van ca. 10.00-13.00 uur). NB: vanaf het weekend is het tijdsverschil 10 uur i.p.v. 8 uur.
- Voorlichter NIOO-KNAW ir. Froukje Rienks, tel. 0294-239303 / 06-10487481, f.rienks@nioo.knaw.nl, Rijksstraatweg 6 Nieuwersluis, Postbus 1299 3600 BG Maarssen.
Fotomateriaal: Van twee soorten steltlopers die in het onderzoek voorkomen is een illustratie beschikbaar (bonte strandloper en bonapartes strandloper). Op verzoek kan een goede scan worden toegestuurd.
Achtergrondinformatie: een nog niet gepubliceerd artikel met extra, bredere informatie is beschikbaar: The relation between migration and breeding strategy in arctic breeding birds, Marcel Klaassen.
Artikel: Arctic waders are not capital breeders; Marcel Klaassen, Åke Lindström, Hans Meltofte & Theunis Piersma, Nature,
25 oktober 2001.
ETEN IN DE ZEE: OPEN DAGEN BIJ HET NIOO-CEMO
YERSEKE (Zld.) - Mosselen zijn erg geliefd onder smulpapen, maar wat eten ze eigenlijk zelf? En hoe redden ze zich in het snelstromende water? Dit zijn maar een paar van de vragen die aan bod komen op vrijdagavond 12 en zaterdagmiddag 13 oktober 2001 op de open dagen van het NIOO-CEMO (Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek - Centrum voor Estuariene en Mariene Oecologie) in Yerseke.
In heel Nederland is het van 6 tot en met 14 oktober Wetenschap & Techniek Week. Het thema is 'Voeding'. Bij het NIOO is dat opgevat als 'Eten in de zee'. De mens haalt veel eten uit de zee, maar wie eet wie in de zee? De dieren, maar ook de planten en de miljarden bacteriën moeten zich ergens mee voeden. Kom zelf ontdekken wat dat is!
Wat voorproefjes:
- Wat leeft er in de zeebodem? Hoe eet een plant?
- Kom aan boord van het onderzoeksschip! Kiezelwieren lijmen zich vast!
- Waarom was je je handen voor het eten? Schelpdieren 'onder stroom'
- Hoe zout is Oosterscheldewater? Zuidpool-onderzoek
De open dagen bestaan niet alleen uit demonstraties en een film, maar de bezoekers kunnen ook zelf proefjes doen. Voor kinderen vanaf ongeveer negen jaar en ouder is er een 'speurtocht voor jonge onderzoekers'! Voor de allerkleinsten is er een kleurplaat en voor iedereen ligt er een presentje klaar.
De buren van het Centrum voor Schelpdieronderzoek van het Nederlands Instituut voor Visserijonderzoek (RIVO-CSO) zetten hun deuren ook open voor bezoekers. Het thema is hier 'Schelpdieren als onuitputtelijke voedselbron voor mens en dier'.
Gegevens:
NIOO-CEMO, Korringaweg 7, 4401 NT Yerseke, telefoon 0113-577300.
Vrijdagavond 12 oktober van 19.00-22.00 uur
Zaterdagmiddag 13 oktober van 12.00-17.00 uur
Voor alle leeftijden, de toegang is gratis.
Het NIOO is het onderzoeksinstituut voor ecologie van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW). Het bestaat uit drie centra: voor ecologie van kust en zee, van het zoete water en van het land. Op het NIOO-Centrum voor Estuariene en Mariene Oecologie in Yerseke richten de onderzoekers zich op het leven in het zoute en het brakke water.
Voor meer informatie:
Voorlichter ir. Froukje Rienks, NIOO, tel. 0294-239303 of 06-10487481, f.rienks@nioo.knaw.nl, Rijksstraatweg 6 Nieuwersluis, post: Postbus 1299, 3600 BG Maarssen.
Persbericht / Uitnodiging, 21 augustus 2001
NIEUW NEDERLANDS ONDERZOEKSPLAN VOOR ANTARCTICA & SYMPOSIUM ZUIDPOOLBIOLOGIE OVER KLIMAATSVERANDERING, BIODIVERSITEIT EN EXTREME MILIEUS
AMSTERDAM/YERSEKE - Maandag 27 augustus ziet het nieuwe Nederlands AntArctisch Programma (NAAP) 2001-2006 het licht. Op die dag ontvangt de voorzitter van het Interdepartementaal Antarctica Overleg dr. Jan Huber (Ministerie van Buitenlandse Zaken) dit wetenschappelijke onderzoeksplan uit handen van NWO-voorzitter dr. Reinder van Duinen (NWO = Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek). Dit gebeurt tijdens de opening van het internationale congres voor Antarctische biologie.
In september 1599 ontdekte de Nederlander Dirck Gerritsz Pomp "int Suyden heel hooch Berchachtig landt vol Sneeuw als het Landt van Noorweghen heel wit bedekt." Antarctica is ruim vier eeuwen later het onderzoeksgebied van zo'n 40 landgenoten van Pomp. Sinds 1964 voert Nederland met tussenpozen onderzoek uit rond de Zuidpool. In 1994 volgde het eerste Nederlandse Antarctische onderzoeksprogramma.
De Nederlandse overheid wordt gevraagd 1,5 MILJOEN EURO bij te dragen aan het kwalitatief hoogwaardige onderzoek. Toch is dit nog steeds een smalle financiële basis, zeker vergeleken met de inspanningen van andere lidstaten van het Antarctisch Verdrag. (Dit verdrag regelt de status en de bescherming van het werelddeel en zijn milieu, dankzij het onderzoek heeft Nederland sinds 1990 stemrecht). Daarom hebben de onderzoekers zich in het nieuwe NAAP geconcentreerd op een aantal onderwerpen. De belangrijkste onderzoekslijnen voor het NAAP 2001-2006 zijn glaciologie & klimatologie, ecologie, oceanografie en menswetenschappen & sociologie. NWO - gebied Aard- & Levenswetenschappen (ALW)- coördineert het onderzoek. Vier ministeries - VROM, LNV, V&W en BuZa - financieren het samen met NWO-ALW.
Antarctica is een graadmeter voor het milieu op Aarde. De zee rond Antarctica speelt een sleutelrol in vele processen wereldwijd. Van al het zoete water op Aarde bevindt 70% zich op Antarctica. Mocht al dat ijs ooit smelten, dan stijgt het waterpeil in de wereldzeeën met 65 meter. Sinds april 2001 moet elke bezoeker van het kwetsbare Antarctica ruim van tevoren een VERGUNNING AANVRAGEN.
Het Scientific Committee on Antarctic Research (SCAR) organiseert haar achtste Internationale Biologie Symposium: 'Antarctic Biology in a Global Context'. Zuidpoolbiologie is niet meer een vak op zich, maar houdt zich bezig met biologie op wereldschaal. Global change laat zijn sporen na in het gebied. Symposiumvoorzitter Ad Huiskes van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO-KNAW): "Het gaat niet goed met Antarctica. De temperatuur op sommige plekken is al fors gestegen de afgelopen 50 jaar. Zo'n 2 graden Celsius in de zomer en wel 5 in de winter. De originele POOLPLANTEN EN -DIEREN KOMEN IN DE PROBLEMEN, terwijl nieuwe soorten van buiten binnendringen. En het ozongat wordt ook steeds dieper. Er is meer onderzoek nodig; Nederland doet het nu maar 'op een koopje'."
"Het symposium is expres in eind augustus gepland," zegt Huiskes. "Omdat het NU TOCH WINTER IS OP DE ZUIDPOOL: geen onderzoeksseizoen voor poolbiologen." Het symposium verenigt bijna alle biologen ter wereld die zich met Antarctica bezig houden. Tegen de 350 mensen uit meer dan 30 landen komen in Amsterdam bijeen. Antarctica is een vrij simpel systeem, waar je overzichtelijk onderzoek kunt doen. Huiskes: "We bestuderen globale processen die je op lokale schaal kunt bekijken."
Thema's die aan bod komen, zijn: De rol van Antarctica in wereldwijde patronen en processen, Klimaatsverandering en toename van ultraviolet-B licht, Adaptatie en evolutie in extreme milieus, Antarctische en Arctische ecosystemen: Poles apart?, Biogeografie en biodiversiteit in Antarctische en sub-Antarctische systemen en Antarctisch onderzoek, menselijke invloeden en milieubeleid. Naast presentaties over de huidige stand van het onderzoek staan er ook workshops voor specialisten (o.a. biologie en vervuiling van LAKE VOSTOK onder het ijs) en vergaderingen van stuurgroepen van internationale onderzoeksprogramma's op het 'menu'. Speciale aandacht gaat uit naar de invloed van de menselijke aanwezigheid in Antarctica en het beheer en de bescherming van het gebied. Het symposium duurt van 27 augustus tot 1 september.
Een aantal geselecteerde lezingen:
Maandag 27 augustus, 11.00 uur: Andrew Clarke, Evolution, adaptation and diversity: Antarctic Biology in a global context
en 14.00 uur: Deneb Karentz Climate Change and Increases in UVB: Biological Impacts and Responses.
Woensdag 29 augustus, 8.30 uur: Guido di Prisco, Adaptation and Evolution in the Antarctic: An exciting Challenge for Biology
en 11.00 uur: Claude de Broyer, Trends in Antarctic biodiversity and biogeography research: the case for Crustacea.
Donderdag 30 augustus, 15.30 uur: Emma Waterhouse, From Microbes to Milestones - the role of research in environmental policy.
Voor meer informatie en het volledige programma van het symposium:
- Zuidpoolonderzoeker en symposiumvoorzitter dr. Ad Huiskes, NIOO-KNAW-Centrum voor Estuariene en Mariene Oecologie (CEMO), tel. 0113-577456 of 06-51817845, a.huiskes@nioo.knaw.nl, Postbus 140, 4400 AC Yerseke.
- Wetenschapsvoorlichter ir. Froukje Rienks, NIOO-KNAW, tel. 0294-239303 of 06-10487481, f.rienks@nioo.knaw.nl, Rijksstraatweg 6 Nieuwersluis, post: Postbus 1299, 3600 BG Maarssen.
Persbericht / Uitnodiging, 21 augustus 2001
ECOLOGIE OP DE KLEINSTE SCHAAL: RELATIES TUSSEN MICRO-ORGANISMEN ÉN TUSSEN MICROBIOLOGEN OP GROOT SYMPOSIUM
AMSTERDAM/NIEUWERSLUIS (Utr.)- Waterzuivering, schoonmaak van vervuilde grond, (bestrijding van) epidemieën, vertering in de darmen, productie van levensmiddelen: micro-organismen kennen veel verschijningsvormen en toepassingen. En wist je bijvoorbeeld dat losse cellen ook met elkaar 'praten'? Op 26 augustus start het symposium 'Interactions in the microbial world' in Amsterdam. 1650 microbieel ecologen van over de hele wereld bespreken een week lang het laatste 'micronieuws'.
"Interacties zijn erg belangrijk in de wereld van de micro-organismen," zegt symposiumvoorzitter Riks Laanbroek. "Nu kunnen we de interacties ook eindelijk echt bestuderen. We beschikken namelijk over een aantal nieuwe technieken, zoals micro-sensoren en gedetailleerde analyses van genen". Laanbroek is directeur van het Centrum voor Limnologie van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO-KNAW) en werkt al jaren aan de ecologie van micro-organismen.
Thema van de negende aflevering van ISME, het Internationaal Symposium over Microbiële Ecologie, is niet alleen de interacties tussen micro-organismen, maar ook tussen onderzoekers. "Steeds meer verschillende onderzoekers die in micro-organismen geïnteresseerd zijn, gaan samenwerken: microbiologen, microbieel ecologen, moleculair biologen, geochemici," somt Laanbroek op. Deze lijn vinden we ook in het symposium terug: van individu via populatie en gemeenschap naar ecosysteem. Het vakgebied is flink in beweging. Zo zijn de genen van micro-organismen erg gewild. "Micro-organismen zullen in de toekomst nog sterker de gezondheid van de mens en de planeet beïnvloeden," voorspelt Laanbroek.
Enkele lezingen onder de loep:
Rita Colwell, president van de National Science Foundation (NSF) en hoogleraar microbiologie, Verenigde Staten
Titel: Era of Revolutions
Inhoud: toepassingen van wetenschappelijk onderzoek, epidemiologie van de cholera-bacterie. Sommige relaties tussen ecologie en epidemiologie zijn verrassend. Een warmer wateroppervlak (El Niño) blijkt vooraf te gaan aan een uitbraak van cholera. Het voorkomen van cholera is gekoppeld aan zogenaamde copepoden, kleine diertje in grote wateren. In warmer water groeien meer planten, waardoor er weer meer copepoden - cholera-gastheren - kunnen leven.
Tijd: openingslezing, zondag 26 augustus 17.00 uur (Auditorium RAI)
Ed DeLong, MBARI, Verenigde Staten
Titel: Functional Genomics in Microbial Ecology
Inhoud: 'populatie genomics', niet de genen van een individu maar van een populatie bekijken. Om de erfelijke eigenschappen van een micro-organisme te bestuderen, hoef je hem niet meer op te kweken in het laboratorium. Een monster van buiten, met een hele populatie organismen in één keer, geeft een onderzoeker 'meteen' informatie. Over genomen maar ook over biochemie. Door moleculaire technieken kunnen we nu ook 'holistisch' kijken.
Tijd: donderdag 30 augustus, 16.15 uur (RAI auditorium)
Yehuda Cohen, Institute of Life Sciences, Israël
Titel: New Trends in Microbial Ecology
Inhoud: nieuwe technieken zijn beschikbaar gekomen, waardoor we nu ook de interactie tussen omgeving, milieu en een micro-organisme kunnen bestuderen. Vroeger waren micro-organismen een ondergeschoven kindje in de ecologie. En microbiologen deden wel interessant onderzoek, maar met een geïsoleerde micro-organisme in een niet-ecologisch relevante reageerbuis.
Tijd: vrijdag 31 augustus, 16,15 uur (RAI auditorium)
De Engelstalige samenvattingen van deze lezingen zijn te raadplegen op de symposium-website (zie onder) en verkrijgbaar op het symposium. Daarnaast zijn er vele andere sprekers en onderzoeksposters aanwezig.
Voor meer informatie:
- Onderzoeker en symposiumvoorzitter prof.dr. Riks Laanbroek, NIOO-KNAW-Centrum voor Limnologie, tel. 0294-239336, r.laanbroek@nioo.knaw.nl, Rijksstraatweg 6 Nieuwersluis, post: Postbus 1299, 3600 BG Maarssen.
- Wetenschapsvoorlichter ir. Froukje Rienks, NIOO-KNAW, tel. 0294-239303 of 06-10487481, f.rienks@nioo.knaw.nl, Rijksstraatweg 6 Nieuwersluis, post: Postbus 1299, 3600 BG Maarssen.
- TIJDENS HET SYMPOSIUM: onderzoeker en symposiumsecretaris dr. Wietse de Boer, NIOO-KNAW-Centrum voor Terrestrische Oecologie, tel. 06-20976770.
Opgeven voor de openingslezing van Rita Colwell: via Congresbureau Eurocongres, tel. 020-6793411, fax. 020-6737306, e-mail ISME9@europcongres.com
Locatie symposium: congresgebouw Amsterdam RAI, Europaplein, 1078 GZ Amsterdam
Website symposium: www.eurocongres.com/isme9
Hierop staat het volledige programma met samenvattingen onder 'Scientific Programme'.
ELLEN VAN DONK NU OOK HOOGLERAAR ZOETWATERBIOLOGIE IN NOORWEGEN
NIEUWERSLUIS (Utr.) - De Universiteit van Oslo benoemde de Nederlandse ecoloog Ellen van Donk van het NIOO-KNAW tot bijzonder hoogleraar aquatische ecologie. Haar aandacht richt zich speciaal op het poolgebied. Sinds vorig jaar was zij al bijzonder hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Nijmegen.
Van Donk zal zich in Noorwegen bezig gaan houden met onderwijs en onderzoek voor de afdeling Limnologie van de Universiteit van Oslo. Limnologie staat voor zoetwaterbiologie. Dit is voor vijf jaar, met eventuele verlenging. Met terugwerkende kracht gaat de benoeming in per 1 maart van dit jaar.
"We willen graag gezamenlijke onderzoeksprojecten opstarten, vooral in het polaire gebied," zegt Van Donk. SPITSBERGEN is één van de beoogde locaties. Het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO-KNAW) voert daar ook al onderzoek uit, met name aan effecten van UV-licht op het waterleven. In de toekomst zullen de onderzoekers ook kijken naar de effecten van de opwarming van de Aarde op de zoetwaterecosystemen.
Sinds kort huist op Spitsbergen ook een heuse universiteit voor poolonderwijs en -onderzoek. Deze faciliteit op Spitsbergen is gezamenlijk opgezet door de universiteiten in Trondheim, Bergen en Oslo. Van Donk hoopt ook Noorse studenten te interesseren om onderzoek in Nederland te gaan doen. Een belangrijk doel is het versterken van het contact tussen het NIOO-KNAW en de Universiteit van Oslo.
Van Donk is sinds 1998 Werkgroepleider Voedselweb Onderzoek bij het Centrum voor Limnologie van het NIOO-KNAW in Nieuwersluis (provincie Utrecht). Ze verricht onderzoek aan de VOEDSELKETENS ONDERWATER en de invloed van milieufactoren daarop. Vanaf 1 februari 2000 is Van Donk daarnaast bijzonder hoogleraar limnologie in Nijmegen. Dit betreft de eerste leerstoel van het Schure-Beijerinck-Popping Fonds van de KNAW.
Noot voor de redactie:
Meer informatie is te verkrijgen bij:
- prof.dr. Ellen van Donk, NIOO-KNAW-Centrum voor Limnologie, Rijksstraatweg 6 3631 AC Nieuwersluis, tel. 0294-239353 of 06-51082707, fax 0294-232224, e-mail e.vandonk@nioo.knaw.nl
- voorlichter ir. Froukje Rienks, NIOO-KNAW, Rijksstraatweg 6 3631 AC Nieuwersluis, tel. 0294-239303 (300) of 06-10487481, fax 0294-232078, e-mail f.rienks@nioo.knaw.nl
ONDERZOEK RISICO GENETISCH GEMODIFICEERDE PLANTEN VOOR BODEM GESTART
"FEITEN NODIG, NIET ALLEEN MENINGEN"
HETEREN (Gld.) - Zijn genetisch gemodificeerde planten gevaarlijk voor hun omgeving of niet? "In deze discussie zijn zowel meningen voor als tegen niet altijd gebaseerd op feiten, maar vaak slechts op emotionele argumenten," stelt George Kowalchuk van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO-KNAW). Het NIOO-KNAW probeert nu achter de feiten te komen voor wat betreft de effecten van genetisch gemodificeerde planten op de bodem. "De waarheid is dat we gewoonweg niet weten hoe zulke planten het functioneren van bodemecosystemen beïnvloeden. Wij zoeken nu naar methodes om risico's voor het bodemleven te testen."
Ook via een oproep…
Steeds vaker vinden we genetisch gemodificeerde gewassen op de Nederlandse akkers - voor proeven of commerciële teelt. Biotech-bedrijven bouwen steeds vaker nieuwe genen in, bijvoorbeeld tegen schimmelziektes. De effecten van zulke planten op hun omgeving moeten we zorgvuldig bestuderen. Een van de risico's is het overdragen van ingebouwde vreemde genen van het gemodificeerde gewas op wilde planten. Maar dat is niet het enige mogelijke gevaar. Over andere ongewenste neveneffecten, in de bodem, is helaas nog maar weinig bekend. Microbioloog Kowalchuk betoogt dat bij de risicobepaling van gemodificeerde gewassen ook ondergrondse effecten thuishoren. "In de huidige procedures is VRIJWEL GEEN ENKELE TEST voor bodemprocessen of bodem(micro-)organismen te vinden."
Maaike Bruinsma, George Kowalchuk en Hans van Veen van het NIOO-KNAW voeren hun onderzoek uit in opdracht van de Commissie Genetische Modificatie (COGEM). COGEM houdt zich namens het Ministerie van Volksgezondheid, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM) bezig met regelgeving over genetische modificatie. De overheid streeft naar duidelijke en hanteerbare regelgeving, maar heeft KENNIS NODIG OM DEZE REGELGEVING OP TE BASEREN. Kowalchuk: "Er bestaat nu nog geen toets voor de veiligheid van genetisch gemodificeerde organismen voor de bodem." Het NIOO-KNAW zal dus eerst alle beschikbare kennis bundelen en de gaten in die kennis aangeven. Eind 2001 zijn de resultaten bekend. Daarna volgen zonodig praktische proeven.
Micro-organismen - zoals bacteriën en schimmels - zijn een onmisbaar onderdeel van ecosystemen op het land. We vinden in de bodem veel soorten. Zij zijn DE MOTOR voor de kringlopen van elementen (koolstof, stikstof, fosfor, zwavel) en zorgen voor afbraak van plantenresten maar ook van verontreinigingen. Ze zuiveren grond- en zo drinkwater. Bovendien bestaan er micro-organismen die de plantengroei beïnvloeden: ziekteverwekkers of juist 'plantenhulpjes'. De genetisch gemodificeerde planten kunnen een verstoring van deze processen tot gevolg hebben. Sleutelprocessen en sleutelmicro-organismen kunnen straks helpen milieueffecten van genetisch gemanipuleerde planten te bepalen.
Het probleem speelt natuurlijk ook in andere landen. Tijdens een workshop komen experts en belangstellenden vanuit heel Europa bijeen. Dit is een belangrijk onderdeel van het project. Het doel is om de stand van zaken vast te stellen en aanbevelingen voor de Europese Unie op te stellen over het testen van effecten op de bodem. De NIOO-KNAW-onderzoekers willen graag inventariseren welke ideeën hierover bestaan. Speciaal mensen uit de agrarische en biotechnologische sector roepen ze op om ideeën en gewenste toetsen te melden. Reacties op deze OPROEP zijn welkom bij: bruinsma@cto.nioo.knaw.nl.
Het NIOO-KNAW is het onderzoeksinstituut voor ecologie van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW). Het bestaat uit drie centra: het Centrum voor Estuariene en Mariene Oecologie (CEMO), het Centrum voor Limnologie (CL) en het Centrum voor Terrestrische Oecologie (CTO). Op het CTO in Heteren richten de onderzoekers zich op het leven op het land.
Voor meer informatie:
- projectleiders dr. George Kowalchuk, NIOO-KNAW-CTO, tel. 026-4791314, g.kowalchuk@nioo.knaw.nl en prof.dr. Hans van Veen, tel. 026-4791243, h.vanveen@nioo.knaw.nl, Postbus 40, 6666 ZG Heteren.
- onderzoeker drs. Maaike Bruinsma, NIOO-KNAW-CTO, tel. 026-4791316, m.bruinsma@nioo.knaw.nl.
- voorlichter ir. Froukje Rienks, NIOO-KNAW, tel. 0294-239303 / 06-10487481, f.rienks@nioo.knaw.nl, Rijksstraatweg 6 Nieuwersluis, Postbus 1299, 3600 BG Maarssen.
BONTE VLIEGENVANGERS BROEDEN TE LAAT: TREKVOGELS IN DE CLINCH MET KLIMAAT
HETEREN (Gld.)/GRONINGEN - Ze doen wel hun best, maar bonte vliegenvangers kunnen zich niet voldoende aanpassen aan de huidige klimaatsveranderingen. Dit stellen ecologen Christiaan Both (Rijksuniversiteit Groningen) en Marcel Visser (Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek NIOO-KNAW) in Nature van 17 mei. Het Nederlandse voorjaar is de laatste 20 jaar steeds warmer geworden, en daardoor 'eerder'. Maar de vogels keren niet eerder terug uit hun overwinterings-gebied in tropisch Afrika. Hun probleem is vooral dat ze in Afrika moeilijk kunnen inschatten wanneer in Nederland het voorjaar begint. Dus moeten de vrouwtjesvogels hier in alle haast een nest bouwen en eieren leggen.
"De bonte vliegenvanger is eerder gaan broeden de laatste 20 jaar," weet NIOO-KNAW-onderzoeker Marcel Visser. "Maar dit is niet voldoende: ze hadden hun legsel nog meer moeten vervroegen om het voorjaar bij te houden. Waarom ze dat niet gedaan hebben? Omdat ze niet eerder terugkomen uit hun overwinteringsgebied in Afrika. Hierdoor worden ze BEPERKT in hun mogelijkheden zich aan te passen aan de klimaatsverandering." Een typisch probleem van een lange-afstand trekvogel.
De lentes zijn tegenwoordig een paar graden warmer in de gematigde streken van de wereld, waardoor veel bomen eerder uitlopen. Dat zorgt er weer voor dat insecten die van jonge bladeren leven eerder rondvliegen en -kruipen. Vliegenvangers kunnen alleen jongen grootbrengen wanneer er veel insecten zijn. Ze moeten eerder gaan broeden om voordeel te hebben van de insectenpiek in het vroege voorjaar. Maar uit gegevens van de vogelwerkgroep Arnhem blijkt dat de zwart-witte vogels niet eerder terugkomen uit hun overwinteringsgebied. Ze moeten zich nu enorm haasten om deze piek van rupsen en andere, vliegende insecten nog mee te kunnen pikken. Een aanzienlijk deel van de dieren komt te laat voor een OPTIMALE MAALTIJD.
De vliegenvangers broeden nu ongeveer 10 dagen eerder dan in 1980. Daardoor hebben de vrouwtjes in plaats van twee tot drie weken er maar één om bij te tanken vóór het energievretende eieren leggen en jongen voeren. De trek vergt ook een zware inspanning van de vliegenvangers. Ze overwinteren ten zuiden van de SAHARA. Toch is de aanpassing van de haastende vrouwtjes niet genoeg geweest. De toegenomen selectiedruk op deze vogels om vroeg te broeden bewijst dit: vroege broeders hebben steeds meer succes. Voor mannetjes is het heel belangrijk om vroeg aan te komen. Vanaf half april arriveren ze in de broedgebieden in Europa. Een week later volgen de vrouwtjes. "De mannen moeten strijden om de territoria van goede kwaliteit. Vrouwtjes kiezen hun partner namelijk op grond van het territorium," verduidelijkt Christiaan Both. Als bonte vliegenvangerman ben je pas aantrekkelijk als je een mooi territorium hebt.
Tegenwoordig hebben de vrouwtjes echter haast bij aankomst. Zijn ze daardoor minder kieskeurig bij de ZOEKTOCHT NAAR EEN PARTNER? Both: "Daar ben ik heel benieuwd naar! Je moet bedenken dat de keuze voor de juiste man heel belangrijk is. Als een vrouw bijvoorbeeld een man uitkiest die al een andere vrouw heeft, dan moet ze in haar eentje al het werk opknappen."
Wat de trekvogel opbreekt, is dat er in het overwinteringsgebied niks verandert. Als de dagen daar lang genoeg worden, gaan de vogels op reis. Pas bij aankomst in het ver weg gelegen broedgebied blijkt de lente daar vroeger te vallen. Visser: "Tot voor kort kwam het PRECIES GOED uit. Nu het klimaat verandert, zijn de regeltjes niet meer juist. We zien zoiets ook bij koolmezen." De biologen onderzoeken de vogels in het natuurgebied het Nationale Park de Hoge Veluwe. Het NIOO-KNAW volgt de populatie bonte vliegenvangers daar al vanaf 1959, toen de eerste paren in de nestkasten gingen broeden. Op dit moment zijn daar rond de 100 broedpaartjes druk in de weer met nestelen.
De onderzoekers benadrukken het belang van lange-termijnstudies met individueel herkenbare (gemerkte) dieren. Visser: "Zulke gegevens zijn enorm waardevol. Zo zie je echt de gevolgen van klimaatverandering." Als vervolg op dit onderzoek gaat het NIOO-KNAW de KOMENDE DRIE JAAR uitzoeken waarom de bonte vliegenvangers niet eerder uit Afrika vertrekken. "Kunnen ze dat niet of willen ze dat niet? Dat is een groot verschil."
Het NIOO-KNAW is het onderzoeksinstituut voor ecologie van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW). Het bestaat uit drie centra: voor ecologie van kust en zee, van het zoete water en van het land. Op het NIOO-KNAW-Centrum voor Terrestrische Oecologie in Heteren richten de onderzoekers zich op het leven op het land.
Voor meer informatie:
onderzoeker dr. Christiaan Both, Rijksuniversiteit Groningen, Zoologisch Laboratorium. Vanwege het veldwerk nu bereikbaar via het NIOO-KNAW: tel 06-20346952.
onderzoeker dr. Marcel Visser, NIOO-KNAW-CTO, tel. 026-4791253 of 06-51392453 , Postbus 40, 6666 ZG Heteren m.visser@nioo.knaw.nl
voorlichter ir. Froukje Rienks, NIOO-KNAW, tel. 0294-239303 of 06-10487481, f.rienks@nioo.knaw.nl, Rijksstraatweg 6 Nieuwersluis, post: Postbus 1299, 3600 BG Maarssen.
Artikel: Adjustment to climate change is constrained by arrival date in a long-distance migrant bird, Christiaan Both & Marcel E. Visser, Nature, 17 mei 2001.
Voor bepalingen rond het Nature embargo: www.nature.com/nature/author/embargo.html "Wire services stories must always carry the embargo time at the head of each item, and may not be sent out more than 24 hours before the time mentioned above."
VUILE DONAU VERPEST GEVOELIGE ZWARTE ZEE TOT OP DE BODEM
YERSEKE/GRONINGEN - De Donau heeft het leven van de kwetsbare Zwarte Zee volledig op zijn kop gezet. Het vervuilde rivierwater zorgt voor explosieve algengroei in het voorjaar. Gevolg: een enorme berg organisch afval op de zeebodem in de zomer. Afbraak daarvan zorgt voor zuurstofgebrek en verdwenen diersoorten. Jeroen Wijsman van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO-KNAW) laat zien hoe de mens grote schade kan aanrichten in een bijzonder ecosysteem. Vrijdag 12 januari promoveert hij aan de Rijksuniversiteit Groningen.
"Wat er in de zeebodem gebeurt, is heel nauw verbonden met wat zich in het bovenstaande water afspeelt. De Donau heeft hierdoor een hele sterke invloed op de zeebodem." Jeroen Wijsman onderzocht wat de rol van de zeebodem is in het ecosysteem van de Zwarte Zee. Hij nam deel aan internationale expedities - het project EROS - en bouwde een computermodel om de zee te leren begrijpen. Voor het eerst is er goed gekeken naar het ondiepe zeedeel in het Noordwesten.
Alleen de bovenste decimeters van de zeebodem zijn interessant voor een ecoloog zoals Wijsman. Hier leven en graven dieren in de bodem, hier wordt afval (resten van plant of dier) afgebroken en hier gaat het mis. De Donau voert zoveel voedingsstoffen van KUNSTMEST en riool aan dat algen enorm gaan groeien in het Zwarte-Zeewater. En dat geeft daarna een hoop rotzooi op de bodem: een grote hoeveelheid gezonken algenafval dat afgebroken moet worden. Daar is onder andere een heleboel zuurstof uit het water voor nodig en er komen veel stoffen vrij. Intussen zijn er allerlei soorten planten en dieren verdwenen.
Zuurstof: geen enkel dier kan zonder. In de Zwarte Zee komen vooral in de vroege zomer veel zuurstofloze plekken voor. Stinkende, dode plekken tot wel een paar vierkante kilometers groot. Hele mosselbanken sterven af. Dit heeft alles te maken met het vervuilde water van de Dnjestr, Dnjepr, maar vooral Donau. Deze rivieren monden alledrie uit in het ondiepe, noordwestelijke deel van de zee. "De Zwarte Zee heeft altijd wel een beetje last gehad van zuurstofloze plekken, maar dit is waarschijnlijk sinds de jaren 1960 veel heftiger," zegt Wijsman. Toen kwam de economie in het OOSTBLOK op stoom. Rond de Donau woonden in 1992 81 miljoen mensen. Ter vergelijking: in het stroomgebied van de Rijn waren dat er 'maar' 41 miljoen.
"Die enorme Zwarte Zee van ruim 400.000 vierkante kilometer is een eenzame plek. Op onze expedities kwamen we nauwelijks boten tegen. Zo is de visserij volledig ingestort. Heel veel vissoorten zijn verdwenen," vertelt Wijsman. Een nieuwkomer maakte daar gebruik van. "Sinds 1980 komt er in de Zwarte Zee een ribkwal uit Noord-Amerika voor. Die is waarschijnlijk met ballastwater van schepen meegekomen. Hij kon zich goed ontwikkelen in de ontwrichte zee: veel voedsel en geen natuurlijke vijanden." Een DERDE DRAMA betreft de gigantische velden roodwier (Phyllophora) in het ondiepe deel. "De Roemenen bouwden een grote fabriek, waar men geoogst wier kon verwerken. Maar toen de fabriek af was, was het wier verdwenen! Massaal afgestorven door de troebelheid van het water, de schuld van de vervuiling of de visserij," weet Wijsman.
De Zwarte Zee is een heel bijzondere zee. Wijsman: "Hij is meer dan twee kilometer diep, maar alleen in de bovenste 200 meter zit zuurstof. Daaronder is, op wat bacteriën na, geen leven mogelijk. Bij de afbraak van organisch afval zonder zuurstof door speciale bacteriën komt er sulfide vrij. Sulfide is een vorm van zwavel en bekend van de 'ROTTE-EIERENLUCHT'." De stof is giftig voor de bodemdieren zoals mosselen en wormen in het ondiepe gedeelte, maar ijzer kan daar een stokje voor steken. Als er genoeg ijzer is dan kan dat al het vrijkomende sulfide meteen binden tot ongevaarlijk zout (ijzersulfide): een ijzersterke oplossing.
De schade viel Wijsman mee bij zijn eerste bezoek aan de Zwarte Zee in 1995. "We gingen erheen met het idee van groene soep, maar de eutrofiëring, de vervuiling, van de zee was niet zo extreem." Het lijkt erop dat de Zwarte Zee zich sinds 1990 weer aan het HERSTELLEN is. De economische recessie in het Oostblok speelde wellicht een rol: minder vervuiling van het water. "De laatste jaren zijn er minder algen en ribkwallen en weer meer sardines en roofvissen. Maar het ecosysteem heeft zich zeker nog niet hersteld." Wordt 'patiënt Zwarte Zee' ooit weer helemaal gezond?
Meer informatie:
- promovendus ir. Jeroen Wijsman tel. 015 - 2858834, fax 015 - 2858718, e-mail jeroen.wijsman@wldelft.nl
- voorlichter ir. Froukje Rienks (vanaf 8 januari), NIOO-KNAW, Rijksstraatweg 6, 3631 AC Nieuwersluis, tel. 0294-239303 (300) of vrijdags privé 038-4652233, fax 0294-232078, e-mailf.rienks@nioo.knaw.nl
- titel proefschrift: Early diagenetic processes in northwestern Black Sea sediments, ISBN 90-367-1337-4