Sitemap
Print
RSS

Archief: Persberichten 1997-1998

 07-12-1998 Soortenrijk rietmoeras kan niet zonder wisselend waterpeil
 10-11-1998 Samenwerking zoetwater-biologen KUN en NIOO-KNAW: centrum van één miljoen voor stroomgebieden
 05-11-1998 Koolmees bestrijdt overbevolking uit eigenbelang
 27-10-1998 Onderzoekers brengen zwanen-tankstations in kaart
 01-10-1998 Koolmees broedt te laat door warmer klimaat
 22-09-1998 Remote sensing boven de verdrinkende schorren
 04-09-1998 Succes hertshoornweegbree te danken aan sorbitol
 27-04-1998 Nieuwe methode meet zowel identiteit als activiteit van bacteriën
 23-02-1998 Koolmezen laten uit strategische overwegingen soms hun jongen in de steek
 16-02-1998 Nieuwe geïntegreerde bestrijdingsmethode voor wateronkruiden
 16-02-1998 NIOO-Yerseke staat centraal in "Van Gewest tot Gewest"
 10-02-1998 Weegbree bezit 'zintuig' om schaduw van buurplanten waar te nemen
 06-02-1998 Mooi voorjaar zorgt voor veel zeesla in Veerse Meer
 03-02-1998 Mossel schuift steeds meer op naar het noorden
 27-01-1998 Kunstmatig peilbeheer zorgt voor dramatische achteruitgang Europese rietgordels
 21-01-1998 Bestrijding van schimmels met chitine-afbrekende bacteriën
 13-01-1998 Zeesla in Veerse Meer houdt winterslaap
 12-01-1998 Stijging Westerscheldepeil biedt gelegenheid tot uniek natuurlijk experiment naar gevolgen zeespiegelstijging
 06-01-1998 Spectaculair herstel bever door herintroducties
 16-12-1997 Nieuwe directeur onderzoek NIOO-Centrum voor Terrestrische Oecologie
 09-12-1997 NIOO start onderzoek aan giftige algenbloeien in de Oostzee
 02-12-1997 Zeeuwse onderzoekers vertrekken naar Antarctica voor onderzoek naar de invloed van het ozongat
 20-10-1997 Bodembacteriën produceren broeikasgas na regenbuien
 13-10-1997 Zeeuwse schorren (kwelders) spelen beperkte rol in de kringloop van organische stof

 

 

Persbericht, 7 december 1998

Soortenrijk rietmoeras kan niet zonder wisselend waterpeil

HETEREN/NIJMEGEN - "Een natuurlijk verloop van het waterpeil is noodzakelijk voor behoud en herstel van soortenrijke rietoevers." Bioloog John Lenssen onderzocht het effect van het waterpeil op oeverplanten. Ondanks grote inspanningen van de beheerders raakten natuurvriendelijke oevers niet begroeid met de oorspronkelijke planten. Het waterpeil vormt de sleutel tot dit raadsel. 'Moerasbloemen' zijn alleen tussen het riet te vinden als overheersende 'ruigtekruiden' zoals brandnetels door overstromingen worden verjaagd. Helaas laat het waterbeheer in Nederland geen wisselend peil toe. Maandagmiddag 14 december promoveert Lenssen in Nijmegen.

"Het huidige beheer van het waterpeil is verre van natuurlijk en vormt daarmee een grote bedreiging voor soortenrijk rietmoeras." Promovendus John Lenssen van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO-KNAW) is heel stellig in zijn oordeel. Het peil in de Nederlandse wateren is nu gericht op de landbouw. Voor wisselende waterstanden is geen plaats. Het peil is meestal constant of anders precies omgekeerd aan de natuurlijke situatie: 's winters kunstmatig laag en de hele zomer kunstmatig hoog. Dat laatste is in het IJsselmeergebied en in vele polders het geval. Hierdoor krijgen typische moerasplanten geen kans. Soortenarme en verruigde oevers met brandnetel en harig wilgenroosje zijn het gevolg.

Waterbeheerders in Nederland hebben wel erg hun best gedaan om de oevers natuurlijker te maken. Ze vervingen stenen en beton door grond, maakten van steile oevers geleidelijk aflopende waterkanten en brachten bescherming tegen golfslag aan. Toch wilden de moerasplanten maar niet aarden. Lenssen ging met dit gegeven aan de slag en richtte zijn aandacht op het waterpeil.
Natuurlijke oevers langs voedselrijke wateren vertonen een verloop: van riet in het water, via rietmoeras met allerlei kwetsbare moerasplanten, naar sterke ruigtekruiden op het land. Lenssen: "Moerassoorten - MOERASVERGEETMENIETJE, watermunt, wolfspoot - moeten tussen riet en ruigtekruiden een plekje zien te vinden. Wanneer kunnen ze het bolwerken en wanneer niet meer? De gevoelige moerassoorten staan alleen op plekken met weinig riet, weinig dode plantenresten, bijna geen golfslag of stroming en af en toe overstroming."

Bij een natuurlijk wisselend waterpeil hebben de moerasplanten de beste kansen. Zaden van zowel de moerasplanten als de ruigtekruiden kiemen alleen als de bodem niet onder water staat. Eenmaal gekiemd verdragen de moerasplanten een OVERSTROMING VAN WEKEN erg goed. Ruigtekruiden leggen dan echter het loodje. In de zomer moeten er dus af en toe overstromingen voorkomen om de ruigtekruiden in toom te houden. In de winter moet het water steeds hoog staan. Het afgestorven riet vormt anders dikke, ondoordringbare lagen strooisel op de bodem. De hoge waterstanden in de winter bieden uitkomst, bleek uit veldwerk in de Biesbosch. Het water voert het strooisel weg en zet het hoog op de oever af, zodat het de moerasplanten niet kan verstikken. Een constant waterpeil biedt hiervoor geen mogelijkheden.

"Het water hoeft niet persé elke zomer laag te staan en elke winter hoog," aldus Lenssen. "Beheerders moeten dat niet kunstmatig gaan bewerkstelligen. Laat de natuur maar begaan, we moeten haar niet willen beheersen. Er zullen dan veel meer fluctuaties optreden dan nu het geval is." Dit onderzoek levert waardevolle informatie voor bijvoorbeeld de DISCUSSIES rond de 'heropening van het Haringvliet'. De heropening zou het Haringvliet haar wisselend peil teruggeven en grijpt dus in op de oorzaak van de soortenarme oevers. Aan de andere kant is het de vraag of hier na jaren 'verkeerd peil' de zaak weer terug te draaien is. Komt het rietmoeras nog in volle glorie terug?

Noot voor de redactie:
meer informatie is te verkrijgen bij: promovendus drs. John Lenssen, tel. 024-3225868


Persbericht, 10 november 1998

Samenwerking zoetwater-biologen KUN en NIOO-KNAW: centrum van één miljoen voor stroomgebieden

NIEUWERSLUIS/NIJMEGEN - Op 13 november sluiten de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de Katholieke Universiteit Nijmegen een convenant op het gebied van de zoetwaterbiologie. Met deze samenwerking gaat het Nederlands Onderzoekcentrum Stroomgebieden (NOS) van start. Als startkapitaal krijgt het centrum bijna één miljoen mee.

Dertien november lossen de zoetwaterbiologen van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO-KNAW) en hun collega's van het Centrum voor Zoetwater Biologie van de Katholieke Universiteit Nijmegen (CZB-KUN) het startschot voor de samenwerking in het Nederlands Onderzoekcentrum Stroomgebieden. Prof dr. D. Bootsma, clustervoorzitter Levenswetenschappen, zal namens de KNAW het convenant ondertekenen en faculteitsdecaan prof. dr. S. Wendelaar Bonga vertegenwoordigt de KUN. Met de samenwerking is tweemaal 480.000 gulden gemoeid.

Het doel van het Nederlands Onderzoekcentrum Stroomgebieden (NOS) is om al het biologische onderzoek over stroomgebieden in Nederland te bundelen. Een sterk groeiende wereldbevolking, klimaatsveranderingen, ontbossing en vervuiling zijn de ingrediënten van een problematische cocktail. Onderzoek naar het functioneren van zoetwater-systemen is daarom zeer gewenst. Het onderzoekcentrum bestaat op dit moment nog uit twee, grote, groepen. De initiatiefnemers benadrukken echter dat het om een 'open systeem' gaat. Zij financieren de start - in eerste instantie voor vijf jaar- maar andere onderzoekers zijn welkom.

Zoet water te over in Nederland. De nadruk van het NOS-onderzoek zal liggen op kwaliteit en functies van zoete wateren op het niveau van hun stroomgebied. Dit stroomgebied bepaalt uiteindelijk welke kwaliteit het water heeft en wat er met het water gebeurt. Biodiversiteit krijgt daarbij ook de aandacht die het verdient. Het beleid en het beheer zullen profiteren van dit onderzoek. De samenwerking krijgt vorm door een drietal thema's: stromende en stilstaande wateren, uiterwaarden en natte bodems en tot besluit het rivierenlandschap.

De bekendmaking en de ondertekening zullen plaatsvinden bij de Katholieke Universiteit Nijmegen in zaal N2 van het hoofdgebouw op Toernooiveld 1 (16.30 uur - 16.50 uur). Het NOS-bestuur zal zich dan presenteren als slotakkoord van het symposium 'Waterplants: ecology, evolution and ecosystem function'. De bestuurders zijn prof. dr. Jan van Groenendael (KUN) en prof. dr. Riks Laanbroek van het NIOO-KNAW.

Sinds een kwart eeuw bedrijven wetenschappers van de Katholieke Universiteit Nijmegen (KUN) onderzoek in de aquatische ecologie. De KUN heeft onlangs de zoetwaterbiologie tot 'speerpunt' in haar onderzoek verheven. Het hieruit voortgevloeide Centrum voor Zoetwater Biologie (CZB) omvat al het Nijmeegse onderzoek op dit gebied.

Het Centrum voor Limnologie te Nieuwersluis doet fundamenteel onderzoek aan zoetwater-ecosystemen. Samen met het Centrum voor Terrestrische Oecologie en het Centrum voor Estuariene en Mariene Oecologie vormt het sinds 1992 het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO-KNAW). De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) is de moederorganisatie van het NIOO-KNAW.

Noot voor de redactie:
voor meer informatie, o.a. een kopie van het convenant, kunt u terecht bij ir. Froukje Rienks, voorlichter NIOO-KNAW, Rijksstraatweg 6, 3631 AC Nieuwersluis, tel. 0294-239303 of 0294-239300 (receptie), fax 0294-232078, e-mail f.rienks@nioo.knaw.nl


Persbericht, 5 november 1998

Koolmees bestrijdt overbevolking uit eigenbelang

HETEREN/UTRECHT - Op 9 november promoveert Christiaan Both aan de Universiteit Utrecht op het gedrag van 'egoïstische' koolmezen. Waarom krijgen dieren minder jongen als ze met vele op een kluitje zitten? Hebben de dieren milieubesef en minderen ze in het belang van hun gemeenschap? Volgens de evolutietheorie kan dat niet kloppen: ze zullen altijd streven naar zo veel mogelijk nakomelingen. Het kleinere aantal kinderen zou dus individueel voordeel moeten opleveren. Deze kwestie houdt ecologen al tientallen jaren bezig. Voor het eerst is er nu stevig bewijs: koolmezen leggen bij een hogere mezendichtheid minder eieren uit eigenbelang.

Als het goed gaat met een diersoort, dan komen er steeds meer individuen bij. De dieren zitten steeds dichter op elkaar en voedseltekort dreigt. Als de aantallen op dezelfde manier blijven toenemen, dan vallen er veel doden. De concurrentie zal echter niet zo hoog oplopen. Promovendus Christiaan Both van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO-KNAW) toonde aan dat iedere koolmeesvrouw minder eieren legt als er meer mezen in het bos zitten.

Koolmezen malen niet om het maatschappelijke niveau. Het gaat hen er puur om tijdens hun leven zo veel mogelijk eigen nakomelingen op de wereld te zetten. Both en andere onderzoekers van het NIOO-KNAW-Centrum voor Terrestrische Oecologie testten op de Veluwe of koolmeesouders steeds kozen voor het succesvolste aantal eieren. "We veranderden het aantal eieren in de nesten en keken hoe goed de ouders en de jongen het er vervolgens vanaf brachten. Het aantal eieren dat de ouders zelf oorspronkelijk gekozen hadden, bleek het beste resultaat te geven." Zowel verkleining als vergroting van het nest maakten de koolmezen minder geslaagd.
Beter een paar goed opgevoede meesjes dan een groot stel slappelingen. Klopt het dat koolmezen in 'drukke' jaren meer succes hebben met een kleiner nest? Both, terwijl hij door het raam de vogels buiten in de gaten houdt: "Koolmeesouders schatten van tevoren voor hun kroost de concurrentie van andere jonge mezen in. Door minder eieren te leggen krijgen ze sterkere jongen." Sterkere jongen hebben meer succes in de koolmees-competitie, zodat er uiteindelijk van een kleiner nest meer jongen overleven. Dit bevestigt de ideeën. De koolmees-dichtheid bepaalt werkelijk de grootte van het legsel.

Een ander experiment maakte duidelijk dat een vergroot territorium een koolmees meer succes oplevert. Hij/zij kan meer jongen grootbrengen en heeft meer kans om het volgende broedseizoen levend te halen.
"Als je populaties heel lang volgt, dan kun je zien hoe de gemeenschap gereguleerd wordt," volgens Both. "In strenge winters sterven veel mezen, maar daarna worden er weer veel jongen geboren om dat te compenseren. Door het koolmezen-onderzoek van veertig jaar kunnen we uiteindelijk begrijpen waarom populaties niet zo vaak uitsterven. Waarom de natuur op een bepaalde manier stabiel is."

Meer informatie is te verkrijgen bij:
· promovendus ir. Christiaan Both, 026-4791248 of 023-5359031 
· co-promotor dr. Marcel Visser, NIOO-KNAW-CTO, Boterhoeksestraat 48, 6666 GA Heteren, tel. 026-4791253, fax 026-4723227,
e-mail m.visser@nioo.knaw.nl
· voorlichter ir. Froukje Rienks, NIOO-KNAW, Rijksstraatweg 6, 3631 AC Nieuwersluis, tel. 0294-239303, fax 0294-232078,
e-mail f.rienks@nioo.knaw.nl
 


Persbericht, 27 oktober 1998

Onderzoekers brengen zwanen-tankstations in kaart

NIEUWERSLUIS – De reis van de kleine zwanen voert iedere herfst van hun broedgebieden in Noord-Rusland naar de overwinteringsplaatsen in West-Europa. Als ze in één ruk door zouden vliegen, dan duurde de trek maar twee dagen. Helaas kost het zoveel energie, dat de zwanen onderweg een paar weken moeten ‘bijtanken’. Onderzoekers van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO-KNAW) volgen dit jaar de kleine zwanen. Het is van internationaal belang om de pleisterplaatsen van deze kwetsbare trekvogels te kennen, anders kan deze soort niet goed beschermd worden. De kleine zwanen stoppen voornamelijk in de Baltische staten en vestigden daarmee een lange-afstandsrecord.

De kleine zwanen komen eraan! Deze trekvogels leggen ieder jaar de reis van West-Europa naar Noord-Rusland af, en terug. Wat gebeurt er onderweg in de herfst? Op de terugweg stoppen ze een paar weken op pleisterplaatsen om zich vol te vreten voor de tweede etappe. Deze ‘tankstations’ blijken nu voornamelijk in de Baltische Staten te liggen.
Op expeditie in Rusland rustten NIOO-KNAW-onderzoekers deze zomer vijf mannelijke kleine zwanen uit met een SATELLIETZENDER. Zo’n zender, 45 gram zwaar, zendt om de dag pulsen uit. Een satelliet pikt het signaal op, zodat de biologen gemakkelijk kunnen volgen waar de dieren heen vliegen.
De gezenderde dieren dienen als baken voor de onderzoekers. Waar één zwaan rust, rusten er meer. Eén van de onderzoekers verkende per vliegtuig rond St.-Petersburg de gebieden waar signalen vandaan kwamen. Collega’s uit Estland en de andere landen rond de Botnische golf zochten in eigen land gebieden af op kleine zwanen.

Hoewel het in Nederland kan wemelen van de kleine zwanen (Cygnus columbianus bewickii), is de soort niet algemeen. Onderzoeker Bart Nolet: "In Europa vliegen 25.000 tot 30.000 kleine zwanen rond. Wel tweederde deel daarvan overwintert in Nederland. De populatie neemt de laatste jaren toe, maar desondanks blijft het een klein aantal."
Klein maakt KWETSBAAR. De concentratie van dieren tijdens de herfsttrek maakt de soort nog kwetsbaarder. Veel kleine zwanen maken gebruik van dezelfde pleisterplaatsen. Mocht zo’n plek aangetast worden, dan is meteen een groot deel van de populatie de dupe. Daarom is het van (internationaal) belang om die pleisterplaatsen te kennen om ze zo nodig te beschermen.
Een belangrijk verzamelpunt voor vertrek van de zwanen is de Russische Petsjora-delta, ten zuiden van Nova Zembla. Vanaf hier vliegen ze in formatie naar het zuidwesten. Zwanen zijn zware vogels van ongeveer zes kilo en zogenaamde flapvliegers. Ze vliegen wel 70 kilometer per uur. De vogels verbruiken daardoor veel energie en moeten tijdens de trek bijtanken.
NIOO-KNAW-onderzoeker Marcel Klaassen: "Bijtanken doen ze veel minder vaak dan we dachten. We verwachtten dat de zwanen niet zo snel zouden gaan! Ze hebben echt een ongelooflijk VLIEGRECORD gevestigd. De oude zwanen-recordhouder vloog 700 kilometer non-stop, maar één van de dieren met een zender vloog wel 1725 km achter elkaar. Hun vliegkosten zijn heel hoog en ze kunnen maar met een beperkte snelheid hun tank bijvullen. Van hun lichaamsgewicht kan nog geen kwart als brandstoftank dienen. Ze zijn stuk voor stuk met een krachttoer bezig."

Onderweg lijken de zwanen vooral op waterplanten te leven. De voorkeur gaat uit naar schedefonteinkruid, dat knolletjes vol energie vormt. Deze ‘WATERAARDAPPELS’ graven ze op uit de bodem van meren en baaien. De afhankelijkheid van deze waterplant draagt bij aan de kwetsbaarheid van de kleine zwaan.
In de laatste week van september vertrekken de kleine zwanen onder luid geroep uit Rusland om, als alles mee zit, ongeveer nu in Nederland aan te komen. Vooral het Lauwersmeer is zeer in trek bij de vogels, 3500 kilometer vliegen van hun broedgebied. De trektocht is een riskante onderneming. Door het extreem natte jaar zijn de waterstanden in de meren erg hoog. De zwanen kunnen daardoor niet goed bij hun voedsel. Ze zitten nu te hongeren in de Baltische Staten en te wachten op wind mee. Als binnenkort de Oostenwind gaat waaien, zullen de kleine zwanen hun reis voortzetten en eindelijk kunnen uitrusten in Nederland.

Het NIOO-KNAW-Centrum voor Limnologie te Nieuwersluis doet fundamenteel onderzoek aan zoetwater-ecosystemen. Het instituut is ontstaan uit het voormalige Limnologisch Instituut. Samen met het Centrum voor Terrestrische Oecologie en het Centrum voor Estuariene en Mariene Oecologie vormt het sinds 1992 het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO-KNAW). Het NIOO-KNAW maakt deel uit van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW).

Noot voor de redactie:
voor meer informatie kunt u terecht bij ir. Froukje Rienks, voorlichter NIOO-KNAW, Rijksstraatweg 6, 3631 AC Nieuwersluis, tel. 0294-239303 of 0294-239300 (receptie), fax 0294-232078, e-mail f.rienks@nioo.knaw.nl
 


Persbericht, 1 oktober 1998

Koolmees broedt te laat door warmer klimaat

HETEREN – Koolmezen op de Veluwe laten zien dat het klimaat niet ongestraft kan veranderen. Dit tonen onderzoekers van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek aan met hun publicatie in de Proceedings of the Royal Society van 7 oktober. Eiken lopen de laatste 25 jaar steeds eerder uit door warmere lentes. De grote aantallen rupsen die van de jonge eikenblaadjes vreten, verschijnen daardoor ook vroeger in het jaar. En de koolmezen komen – in tegenspraak met recent geruststellend onderzoek – te laat met hun nest om optimaal te profiteren van deze rupsenmaaltijd.

Seizoenen: we zijn eraan gewend in Nederland. Ook het dieren- en plantenleven heeft zich erop ingesteld. Voor dieren is het van groot belang dat ze op het juiste moment van het jaar hun jongen krijgen. Ze hebben de beste kansen als ze hun jongen krijgen in een tijd met veel voedsel voor de kleintjes. Deze periode moeten de dieren van tevoren ‘inschatten’, want de voortplanting start natuurlijk al eerder. Bepaalde SIGNALEN uit de natuur kunnen hierbij helpen. Zo is de daglengte een vaak gebruikt signaal, maar wel één die ieder jaar hetzelfde is en dus onbruikbaar is om in te spelen op de jaarlijkse variaties in het weer. Andere signalen zorgen, als het goed is, voor de precieze afstemming.

Bij de koolmees (Parus major) blijkt nu dat de jongen later dan de piek in het voedselaanbod uit het ei komen. Onderzoekers van het Centrum voor Terrestrische Oecologie (NIOO-KNAW-CTO) volgden bijna 25 jaar lang een populatie koolmezen verspreid over vierhonderd nestkasten in het Nationale Park de Hoge Veluwe. Sinds 1973 is de lente steeds warmer geworden, met name de periode van half april tot half mei. De hoeveelheid rupsen, waarmee koolmezen hun jongen voeren, is daardoor nu negen dagen eerder op haar top. Mezen kunnen de datum van eieren leggen aanpassen aan de voorjaarstemperatuur, maar blijken de afgelopen 25 jaar de legdatum niet structureel vervroegd te hebben. Wel hebben relatief vroeg leggende paartjes steeds MEER SUCCES vergeleken met later leggende paartjes. De meeste mezen missen helaas de beste voedselperiode. Wat gaat er mis?
Dr. Marcel Visser van het NIOO-KNAW-CTO: "Normaal gesproken passen koolmezen het moment van eileg aan de omstandigheden aan. Dat lijkt nu niet te gebeuren. Dit kan komen doordat de veranderende temperatuur de omstandigheden in de periode rond de eileg weinig maar de periode waarin de jongen worden gevoerd sterk beïnvloedt."

De rupsen van de wintervlinder, één van de belangrijkste voedselbronnen voor koolmeesjongen, leven van eikenblad. Eikenbomen lopen steeds vroeger uit door het warmere voorjaar en de rupsen kunnen dus steeds vroeger ‘aan tafel’. Koolmezen zoeken echter hun voedsel in de periode van eileg in lariksen en berken. Deze bomen zijn veel minder afhankelijk van de temperatuur en lopen niet echt eerder uit dan voorheen. De RUPSENPIEK zou daardoor te dicht volgen op het juiste moment voor eiproductie. Een andere mogelijke verklaring is dat de voorspellende signalen waarop de dieren reageren met eieren leggen niet op dezelfde manier verschoven zijn als de ‘voorspelde’ overvloed aan voedsel. De signalen zijn dus niet meer betrouwbaar. In het eerste geval is vroeger leggen niet goed mogelijk, in het tweede zal het vroeger nestelen dan haar soortgenoten de koolmees meer succes opleveren. Het signaal voor de mens bestaat uit een WAARSCHUWING: klimaatsveranderingen kunnen de fijne afstemming van dieren op hun omgeving verstoren, met alle consequenties van dien.

Het Centrum voor Terrestrische Oecologie (NIOO-KNAW-CTO) in Heteren verricht fundamenteel onderzoek aan ecosystemen op het land. Het centrum is ontstaan uit het voormalige Instituut voor Oecologisch Onderzoek. In 1992 is het gefuseerd met het Limnologisch Instituut in Nieuwersluis en het Delta Instituut in Yerseke tot het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO-KNAW). Het NIOO-KNAW maakt onderdeel uit van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW).

Meer informatie en illustratiemateriaal zijn te verkrijgen bij:
Marcel Visser, NIOO-KNAW-CTO, Boterhoeksestraat 48, 6666 GA Heteren, tel. 026-4791253, fax 026-4723227, e-mail m.visser@nioo.knaw.nl

Publicatie:
Visser, M.E., A.J. van Noordwijk, J.M. Tinbergen en C.M. Lessells ‘Warmer springs lead to mistimed reproduction in great tits (Parus major)’, Proc. R. Soc. Lond. B (1998), 265, 1867-1870.
 


Persbericht, 22 september 1998

Remote sensing boven de verdrinkende schorren

YERSEKE - Het Westerscheldepeil stijgt door maatregelen om de vaargeul te verdiepen. Het Zeeuwse Centrum voor Estuariene en Mariene Oecologie (NIOO-CEMO) coördineert het grootscheepse onderzoeksproject naar de biologische gevolgen op de schorren. De partners van het door de Europese Unie gefinancierde project zijn op dit moment bezig met de tweede meetcampagne. De onderzoekers verzamelen aan het eind van deze week zelfs informatie per vliegtuig.

Aanstaande woensdag, donderdag en vrijdag zijn geschikt voor een vlucht over de schorren langs de Westerschelde. Midden op de dag moet het laagtij zijn en onbewolkt. Onderzoekers van het Britse Institute of Terrestrial Ecology zullen dan vanuit hun laagvliegende vliegtuig vegetatieopnamen maken van drie onderzoeksplekken bij Ritthem, Ellewoutsdijk en Waarde. Voor deze zogenaamde remote sensing gebruiken ze speciale camera's en een filtersysteem.

De buitendijkse schorren zijn erg kwetsbare stukken natuur. Stijging van de zeespiegel heeft direct effect op de aanwezige planten en dieren. Het uitbaggeren van riviermondingen zorgt bij vele Europese zeehavens voor hogere waterstanden bij vloed. Sinds 1997 zijn Nederland en België bezig met de verdieping van de Westerschelde met twee meter. Nederland verwijdert de wrakken uit de vaargeul en België is nu begonnen met baggeren vanaf Antwerpen. Bij vloed zal als gevolg hiervan het water tot wel tien centimeter hoger komen te staan: evenveel als het broeikaseffect in honderd jaar zou bewerkstelligen.
Vanaf januari van dit jaar loopt het ISLED-project. Dit onderzoeksproject bestudeert de gevolgen van de zeespiegelstijging in de Westerschelde op de schorren aldaar. Dit 'natuurlijke experiment' geeft een indruk van de ontwikkelingen bij een doorzettend broeikaseffect. Bij ISLED (Influence of rising Sea Level on Ecosystem Dynamics of salt marshes) zijn naast Nederland en België nog vier andere Europese landen betrokken: Denemarken, Groot-Brittannië, Frankrijk en Portugal. De coördinatie van ISLED is in handen van het Centrum voor Estuariene en Mariene Oecologie (NIOO-CEMO) te Yerseke. Bij het multidisciplinaire project zijn microbiologen, marien-biologen, biogeochemici en ecologen betrokken.

"De remote-sensingbeelden vormen de basis voor de uitkomsten van het onderzoek," volgens ISLED-coördinator Tom Cappenberg. "Tijdens de vluchten van dit jaar leggen we de nulsituatie vast op de schorren, dus voordat de zeespiegel is gestegen. De beelden tonen in welke mate de verschillende plantensoorten op de hoge en lage stukken van het schor aanwezig zijn. Tijdens het laatste jaar - 2000 - herhalen we de vluchten nog een keer. Zo kunnen we vergelijken en het effect van de verdieping van de Westerschelde op de plantengroei vaststellen." De verwachting is dat de plantengroei minder divers zal zijn in 2000. Micro-organismen in de bodem en sedimentatie-patronen hebben ook de aandacht van de onderzoekers. "Samen zorgen de gegevens voor een model voor beter beheer en behoud van de schorren in de toekomst." De eerste resultaten van ISLED komen in maart 1999 beschikbaar.

Het NIOO-CEMO doet fundamenteel onderzoek naar biologische processen in riviermondingen en kustwateren. Het instituut is ontstaan uit het voormalige Delta-Instituut voor Hydrobiologisch Onderzoek, dat de biologische gevolgen van de Deltawerken onderzocht. In 1992 is het instituut samen met twee andere gefuseerd tot het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO). Het NIOO maakt onderdeel uit van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW).

 


 

Persbericht, 4 september 1998

Succes hertshoornweegbree te danken aan sorbitol

HETEREN (GLD.)/UTRECHT - Zout maakt planten het leven zuur langs kust en wegen. Hertshoornweegbree is een van de plantensoorten die zich weten te wapenen tegen het zout. De weegbreesoort maakt sorbitol aan. Deze bescherming levert meer zaden en dus meer succes op. Maandag 7 september promoveert drs. Marret Smekens aan de Universiteit Utrecht op de aanpassing van hertshoornweegbree aan zout.

Hertshoornweegbree (Plantago coronopus) komt in Nederland voornamelijk voor in kustgebieden: op zeedijken, in duingraslanden en op schorren. In het binnenland zijn ook een aantal vindplaatsen bekend. Hier groeit de soort meestal in wegbermen. In vrijwel alle gevallen wisselt de blootstelling aan zout sterk. Veel planten reageren hierop door sorbitol, een suiker met een alcoholgroep eraan, aan te maken in de cellen. Dit handhaaft waarschijnlijk het (osmotisch) evenwicht tussen de vacuole en het cytoplasma in een cel. De cellen blijven zo normaal functioneren ondanks de aanwezigheid van zout.

Marret Smekens onderzocht de reactie van planten op zout in het wortelmilieu. In de kassen van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek in Heteren voerde zij een kunstmatig selectie-experiment uit met hertshoornweegbree. Smekens stelde een deel van de planten bloot aan constante en een deel aan wisselende zoutconcentraties : "Na een paar generaties van selectie had ik planten die tot 30 procent meer bladeren vormden. Deze planten deden dit echter zowel onder zoete als zoute omstandigheden. Ik had geen aanwijzingen in handen dat planten zich hadden gespecialiseerd in de aan- of de afwezigheid van zout."
Veranderingen in de productie van sorbitol onderzocht Smekens ook. "Alle selectielijnen reageerden op een vergelijkbare manier op zout, met een toename van sorbitol. Alleen in de aanwezigheid van zout maakten planten met meer sorbitol ook meer zaden. Voor het eerst valt zo een relatie te leggen tussen sorbitol- en zaadproductie."

Voor een opmerkelijk resultaat zorgden de planten die waren geselecteerd onder snel wisselende omstandigheden. Deze planten maakten veel bladeren wanneer ze geen zout rond hun wortels hadden en stopten vrijwel met bladeren vormen als er wel zout was. Alle andere selectielijnen groeiden veel regelmatiger, ook onder wisselende zoutconcentraties. Smekens oppert: "Het is alsof de onder wisselende omstandigheden geselecteerde planten het tijdens de zoute periodes proberen uit te zingen door rust. Wanneer er altijd of nooit zout aanwezig is, is dit natuurlijk geen optie."

Het Centrum voor Terrestrische Oecologie (NIOO-CTO) in Heteren verricht fundamenteel onderzoek aan ecosystemen op het land. Het instituut is ontstaan uit het voormalige Instituut voor Oecologisch Onderzoek. In 1992 is het gefuseerd met het Limnologisch Instituut in Nieuwersluis en het Delta Instituut in Yerseke tot het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO). Het NIOO maakt onderdeel uit van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW).
 


 

Persbericht, 27 april 1998

Nieuwe methode meet zowel identiteit als activiteit van bacteriën

Meting van de inbouw van koolstof in fosfolipiden geeft directe informatie over welke bacteriesoorten betrokken zijn bij processen in de natuur. Dat is een grote verbetering ten opzichte van DNA-metingen, die vooral aangeven of bepaalde soorten bacteriën aanwezig zijn, maar niet wat ze doen. De methode is ontwikkeld door Dr. Eric Boschker van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO) in Nieuwersluis en Yerseke. Hij publiceerde zijn bevindingen vorige week in Nature.

Bacteriën vormen de meest diverse groep organismen op aarde. Er bestaan waarschijnlijk vele duizenden soorten, die kunnen voorkomen onder de meest extreme omstandigheden en een groot aantal verschillende stofwisselingsvormen kennen. Daardoor spelen ze een uiterst belangrijke rol in de kringloopprocessen van elementen op aarde. Desondanks is maar een fractie van de bacteriesoorten bekend. Uiterlijk zijn de organismen vrijwel niet van elkaar te onderscheiden, en de meeste soorten laten zich nauwelijks kweken in het laboratorium.
In het ecologisch onderzoek naar bacteriën staan twee vragen centraal: welke processen worden er uitgevoerd door bacteriën, en welke soorten zijn hiervoor verantwoordelijk. De eerste vraag heeft van oudsher veel aandacht gekregen, omdat processen, zoals de omzettting van bepaalde stoffen in de bodem, vaak makkelijker te meten zijn. De tweede vraag is, zoals gezegd, veel moeilijker te beantwoorden.

Met de huidige technieken voor het karakteriseren van DNA is het mogelijk om een "vingerafdruk" te nemen van het DNA in een grond- of watermonster, en die te vergelijken met DNA-patronen van bekende soorten. Dat geeft weliswaar uitsluitsel over de aanwezigheid van bepaalde soorten micro-organismen in bodem en water, maar zegt weinig over de processen die deze bacteriën uitvoeren.
Boschker en zijn collega's hebben een methode ontwikkelt die zowel de aanwezigheid van de bacteriën meet, als het soort processen dat ze uitvoeren en de snelheid waarmee ze dat doen. De methode maakt gebruik van fosfolipiden. Deze stoffen maken deel uit van de celmembraan bij alle organismen. Veel soorten bacteriën hebben hun eigen, karakteristieke fosfolipiden.

In de methode wordt een bepaalde organische stof, die als voedselbron voor bacteriën kan dienen, toegevoegd aan een sediment- of watermonster. Deze stof is "gemerkt" met de stabiele koolstof-isotoop 13C. De bacteriën in het monster krijgen enige tijd de gelegenheid om de stof op te nemen en in te bouwen in hun fosfolipiden. Vervolgens worden de fosfolipiden uit het bodem- of watermonster verzameld, van elkaar gescheiden en onderzocht op de aanwezigheid van 13C.
Aangezien ieder bacteriegeslacht zijn eigen karakteristieke fosfolipiden bezit, geeft de samenstelling van de "gemerkte" fosfolipiden informatie over welke soorten actief zijn bij de omzetting van de toegevoegde organische stof. Daarnaast is het 13C-gehalte van de fosfolipiden een maat voor de snelheid waarmee de bacteriën de toegediende stof hebben opgenomen.

Dat deze techniek geheel nieuwe inzichten kan opleveren heeft Boschker al bewezen. Hij testte het uit op sulfaatreducerende bacteriën; de belangrijkste produceerders van de karakteristieke rotte-eieren lucht in sedimenten, en vond dat een geheel andere soort bacterie hierbij betrokken is dan tot nu toe werd aangenomen. Verdere toepassingen van de nieuwe techniek liggen bijvoorbeeld op het gebied van de milieuhygiëne en de biologische reiniging. Zo kan met behulp van deze techniek worden onderzocht, welke soorten verantwoordelijk zijn voor de afbraak van verontreinigende stoffen in het milieu.
 


 

Persbericht, 23 februari 1998

Koolmezen laten uit strategische overwegingen soms hun jongen in de steek

Koolmezen laten soms hun legsel in de steek om later in het jaar, of in het jaar daarna, aan een nieuw nest te beginnen. Ze zijn echter minder snel geneigd dit te doen als het eerste nest uit veel eieren bestaat, of als de jongen al wat ouder zijn. Het in de steek laten van een legsel is een strategische beslissing, die op de lange termijn tot een groter gemiddeld broedsucces van een koolmezenpaartje kan leiden.

Dat concludeert Drs. Nanette Verboven van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek, Centrum voor Terrestrische Oecologie (NIOO-CTO) in Heteren. Zij promoveert vrijdag 27 februari op dit onderzoek aan de Rijksuniversiteit Utrecht.
Koolmezen kunnen twee keer per jaar broeden. Dat doen ze echter lang niet allemaal. Daarnaast komt het ook regelmatig voor dat koolmees-ouders hun nest in de steek laten, zodat de eieren niet uitkomen of de pas uitgekomen kuikens verhongeren.
Natuurlijke selectie bevoordeelt de individuen die erin slagen de meeste genen door te geven aan de volgende generatie. Het gaat er dus om zoveel mogelijk gezonde jongen groot te brengen. Het broedgedrag van de koolmezen roept dan ook een aantal vragen op. Als het mogelijk is om twee nesten groot te brengen binnen een jaar, waarom doen dan niet alle koolmezen dat? En, wat nog vreemder is, waarom laten ouderdieren hun jongen in de steek?

Verboven probeerde tijdens haar promotieonderzoek een antwoord te vinden op deze twee vragen. Ze bestudeerde daartoe een groep koolmezen in de bossen op Vlieland. Uit experimenten waarin zij het tijdstip van broeden kunstmatig veranderde, bleek dat koolmezen alleen aan een tweede broedsel beginnen als ze vroeg met hun eerste broedsel klaar zijn. Hoe vroeg, dat hangt af van het aantal beschikbare rupsen (die nodig zijn als voedsel voor de jongen) en is voor elk jaar verschillend. Koolmezen die laat in het seizoen broeden maken geen tweede broedsel, omdat het niet veel oplevert of omdat het groot brengen van de jongen laat in het seizoen een te grote inspanning van de ouders vergt. Daardoor gaan ze verzwakt de winter in, en is de kans groot dat ze het volgend jaar niet halen of minder succes hebben met broeden in het volgende seizoen.

Door legsels experimenteel te verkleinen ontdekte Verboven dat ouders een groot nest minder snel in de steek laten dan een klein nest. Verder zijn de mezen eerder geneigd om hun legsel te verlaten als de eieren pas gelegd zijn. In een later stadium is de kans dat een nest wordt verlaten veel kleiner. Verboven concludeert hieruit, dat koolmezen alleen hun nest verlaten als het grootbrengen ervan weinig kans van slagen heeft of uiteindelijk weinig lijkt op te leveren.
Koolmezen die hun nest in de steek hebben gelaten kunnen het opnieuw proberen later in het broedseizoen, of in het daaropvolgende jaar. Het is daarom mogelijk dat koolmezen op de lange duur juist meer gezonde jongen grootbrengen door te stoppen met de huidige broedpoging en aan een nieuwe te beginnen. Het lijkt er dus op dat koolmezen een strategische beslissing nemen als ze hun jongen verlaten.

Het NIOO-CTO doet fundamenteel onderzoek aan ecosystemen op het land. Het instituut is ontstaan uit het voormalige Instituut voor Oecologisch Onderzoek. In 1992 is het instituut gefuseerd met het Limnologisch Instituut in Nieuwersluis en het Delta Instituut in Yerseke tot het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO). Het NIOO ressorteert onder de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW).
 


 

Persbericht, 16 februari 1998

Nieuwe geïntegreerde bestrijdingsmethode voor wateronkruiden

Plagen van de waterplant schedefonteinkruid, in sloten en irrigatiekanalen in de tropen, kunnen effectief worden bestreden door het uitzetten van karpers en het jaarlijks maaien van de waterplanten. De karpers woelen de bodem om, waardoor het water troebel wordt en de planten minder snel kunnen groeien. Maaien van het wateronkruid doet vervolgens de rest. Deze combinatie van biologische en mechanische bestrijding is effectiever dan de beide componenten afzonderlijk. De nieuwe geïntegreerde bestrijdingsmethode kan worden ingezet voor milieuvriendelijke, effectieve en goedkope bestrijding van overlast veroorzakende waterplanten in derde-wereldlanden.

Dat concluderen Dr. Michiel Hootsmans, medewerker van het International Institute for Infrastructural, Hydraulic and Environmental Engineering (IHE) in Delft en Prof. Dr. Wim van Vierssen, directeur van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO) in Nieuwersluis. Zij baseren hun conclusies op de resultaten van vier jaar onderzoek in een tweetal irrigatiegebieden in Zuid-Argentinië. Het onderzoek werd gefinancierd door de Europese Unie, in het kader van het programma "Life Sciences & Technologies for Developing Countries".

Sloten en irrigatiekanalen in tropische landen raken vaak verstopt door waterplanten, zoals het schedefonteinkruid en de waterhyacinth. De bestrijding van deze wateronkruiden gebeurt grotendeels met chemische bestrijdingsmiddelen zoals acroleïne. Deze middelen zijn echter zeer schadelijk voor het ecologisch evenwicht in deze wateren en voor de waterkwaliteit. Andere vormen van bestrijding, zoals maaien of het uitzetten van waterplant-etende vis, hebben weer andere nadelen. Maaien kost veel tijd en geld, terwijl het uitzetten van vis periodiek opnieuw moet gebeuren omdat de vis doodgaat als de waterplanten verdwenen zijn.

Al deze vormen van bestrijding moeten bovendien op het juiste moment gebeuren. Gebeurt het te vroeg in het groeiseizoen, dan zijn de waterplanten nog klein en is het uiteindelijke effect van de ingreep te verwaarlozen, omdat de planten gewoon weer uitgroeien. Gebeurt het echter te laat, dan heeft de plant inmiddels al overlevingsorganen (wortelknolletjes) gevormd in de bodem, die het volgende seizoen weer uitgroeien tot nieuwe planten en voor dezelfde overlast zorgen. Het optimale moment van bestrijding is daarom moeilijk te bepalen, en ook is het vrijwel onmogelijk om grote irrigatiegebieden in deze korte periode te zuiveren van waterplanten.

Hootsmans en van Vierssen onderzochten in twee irrigatiegebieden in Zuid-Argentinië wat het effect was van een combinatie van biologische en mechanische bestrijding bij het schedefonteinkruid, een algemeen wateronkruid. Ze boekten succes met een geïntegreerde bestrijdingsmethode, die bestaat uit een combinatie van het uitzetten van karpers en mechanisch maaien. Door karpers uit te zetten die de bodem omwoelen, en zo het water vertroebelen, worden de planten gestoord in hun groei. Daardoor wordt het moment van maaien veel minder belangrijk, waardoor maaien veel effectiever kan plaatsvinden. De karpers leven niet van het schedefonteinkruid, zodat ze niet samen met de plant verdwijnen.

Volgens van Vierssen is de nieuwe methode van waterplantenbestrijding een schoolvoorbeeld van de praktische toepassing van fundamenteel onderzoek. De gedachtengang erachter is namelijk gebaseerd op een fundamenteel model dat de groei, de vorming van knolletjes, wortels en stengels en de voortplanting van het schedefonteinkruid beschrijft in relatie tot omgevingsfactoren zoals licht, voedingsstoffen, maaiactiviteiten en begrazing. Dit model voorspelde dat introductie van karpers, in combinatie met maaien, tot langdurige verwijdering van waterplanten kon leiden.
 


 

Persbericht, 16 februari 1998

NIOO-Yerseke staat centraal in "van Gewest tot Gewest"

Op zondag 22 februari zal het programma "van Gewest tot Gewest" aandacht besteden aan het Centrum voor Estuariene en Mariene Biologie van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO-CEMO) in Yerseke.

Aan de hand van enkele voorbeelden zoals het onderzoek aan oevervegetaties en zoutplanten, de werking van de biologische stroomgoot en experimenten met zeegras en schelpdieren, wordt een overzicht gegeven van de fundamentele en de meer toepassingsgerichte kanten van het ecologisch onderzoek op het NIOO-CEMO. De CEMO- Directeur Onderzoek, Prof. Dr. Carlo Heip, zal een korte toelichting geven op de missie van het instituut. Ook worden beelden getoond van onderzoek in de Gironde (Frankrijk), dat deel uitmaakt van een van de internationale projecten van het NIOO-CEMO.

Van Gewest tot Gewest, zondag 22 februari van 18.30 tot 19.00 op Nederland 3.

 


 

Persbericht, 10 februari 1998

Weegbree bezit "zintuig" om schaduw van buurplanten waar te nemen

De smalle weegbree, een zeer algemene plant in Nederland, bezit een zintuig waarmee het de mate van overschaduwing door andere planten kan waarnemen. Het zintuig "ziet" de verhouding tussen rood- en verrood(1) licht, die lager is onder een bladerdek omdat de bladeren rood licht absorberen. Deze informatie gebruikt de plant om zijn groeivorm optimaal aan te passen aan een schaduwrijke omgeving. Dat concluderen Dr. Arjen van Hinsberg en Dr. Peter van Tienderen van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek in Heteren.

Het zintuig wordt gevormd door fytochroom, een pigment dat twee vormen kan aannemen die onder invloed van licht in elkaar over gaan. De eerste vorm absorbeert rood licht, de tweede vorm verrood licht.
In het volle zonlicht is de verhouding tussen rood licht en verrood licht hoog. Weegbree vormt dan korte op de grond liggende bladeren. Als andere planten een deel van het licht wegnemen, neemt de verhouding tussen rood- en verrood licht af. Als reactie daarop neemt de concentratie van rood-absorberend fytochroom in de bladeren toe. Dat leidt ertoe dat de weegbree hormonen gaat vormen, die zorgen voor de ontwikkeling van langere rechtopstaande bladeren. Zo probeert de plant te ontsnappen aan de schaduw van zijn buren, en vergroot hij de hoeveelheid licht die hij kan opnemen.
Uit experimenten onder kunstlicht bleek dat een lage verhouding tussen rood licht en verrood licht altijd voor langere bladeren zorgde, ook (en zelfs) als de plant niet in de schaduw stond. Aanpassing aan schaduw heeft dus niet zozeer te maken met de hoeveelheid licht, maar meer met de samenstelling ervan. Ook als de plant niet in de schaduw staat, kan de terugkaatsing van verrood-rijk licht door buurplanten al voldoende zijn om dit ontsnappingsmechanisme in werking te zetten.
Het fytochroom-zintuig wordt ook gevonden bij andere planten. Opmerkelijk daarbij is, dat eigenlijk alleen kruiden en grassen uit open vegetaties hun groeivorm aanpassen aan veranderingen in de verhouding tussen rood- en verrood licht. Bosplanten, daarentegen, vertonen geen enkele reactie. Dat is voor deze planten ook niet zinvol, omdat ze toch niet boven de bomen uit kunnen groeien.

(1) Verrood licht bevindt zich in het lichtspectrum tussen rood en infrarood. Rood heeft een golflengte van rond 660 nm, verrood rond 730 nm en infrarood begint vanaf 800 nm.
 


 

Persbericht, 6 februari 1998

Mooi voorjaar zorgt voor veel zeesla in Veerse Meer

Overmatige groei van zeesla in het Veerse Meer treedt vooral op in jaren waarin er veel zonlicht is in het voorjaar. De hoeveelheid meststoffen (nitraat en fosfaat) in het water is veel minder belangrijk. Dat komt omdat deze stoffen toch al in overmaat aanwezig zijn in het overbemeste Veerse Meer. Dat concluderen Drs. Erik-jan Malta en Ko Verschuure van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek in Yerseke.

De hoeveelheid zeesla in het Veerse Meer is in sommige jaren extreem hoog en in andere jaren zeer laag. Tot nu toe werd aangenomen dat de hoeveelheid meststoffen (nitraat en fosfaat) in het water verantwoordelijk is voor deze verschillen.
Om deze aanname te testen, bepaalde Malta wekelijks de hoeveelheid zeesla en de groeisnelheid van het wier bij Middelplaat in het Veerse Meer. Daarnaast noteerde hij ook lichtsterkte, temperatuur, nitraat- en fosfaatgehalte.

Hij vond echter geen aanwijzingen dat de hoeveelheid zeesla iets te maken had met het nitraat- en fosfaatgehalte van het water: in 1994 was dat hoger dan in 1992, maar er was minder zeesla. Volgens Malta is de hoeveelheid meststoffen in het Veerse Meer zo hoog, dat het vrijwel nooit beperkend is voor de groei van zeesla.
Hij vond daarentegen wel een verband tussen de groei van zeesla en de totale hoeveelheid zonlicht in het voorjaar. Zeesla-overlast kan dus voornamelijk worden verwacht in jaren met een mooi voorjaar.
 


 

Persbericht, 3 februari 1998

Mossel schuift steeds meer op naar het noorden

De inheemse blauwe mossel (Mytilus edulis), bekend als consumptiemossel, zal op steeds meer plekken langs de Atlantische kust van Frankrijk en Spanje verdwijnen. Dat zegt Dr. Herman Hummel van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek, Centrum voor Estuariene en Mariene Oecologie (NIOO-CEMO) in Yerseke. De Middellandse-Zee-mossel (Mytilus galloprovincialis) komt daarentegen steeds noordelijker voor. Volgens Hummel zal de inheemse mossel op lange termijn ook in Nederland verdwijnen als de oorzaken van deze verschuivingen, zoals vervuiling en opwarming van het water, niet worden aangepakt. Hij baseert zijn voorspelling op onderzoeksresultaten van de laatste zeven jaar.

Hummel is coördinator van een groot onderzoeksproject naar de verspreiding van verschillende zoutwaterdiersoorten. Behalve het NIOO-CEMO nemen ook Franse, Italiaanse, Russische en Noorse wetenschappers hieraan deel. De belangrijkste vraag in dit onderzoek, is welke factoren de grens van het verspreidingsgebied van een diersoort bepalen. In het geval van het nonnetje, het kleine tweekleppige roze schelpdier dat algemeen is in de zeeuwse wateren, bleek dat, naast de temperatuur, ook vervuiling van de Franse en Spaanse kustwateren een rol speelde bij de achteruitgang van deze soort. Behalve het nonnetje bleek ook de blauwe mossel (die een zelfde verspreidingsgebied heeft als het nonnetje) zich steeds meer noordwaards terug te trekken.

Mytilus edulis en Mytilus galloprovincialis zijn overigens uiterlijk niet van elkaar te onderscheiden. Hummel gebruikte daarom moleculaire technieken voor de determinatie van de twee mosselsoorten. Een belangrijk verschil tussen de twee soorten is echter wel, dat de Middellandse-Zee-soort beter geschikt is voor hangcultures.

Het NIOO-CEMO doet fundamenteel onderzoek naar biologische processen in riviermondingen en kustwateren. Het instituut is ontstaan uit het voormalige Delta-Instituut voor Hydrobiologisch Onderzoek, dat de biologische gevolgen van de Deltawerken onderzocht. In 1992 is het instituut gefuseerd met het Limnologisch Instituut in Nieuwersluis en het Instituut voor Oecologisch Onderzoek in Heteren tot het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO). Het NIOO is een instituut van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW).


 

Persbericht, 27 januari 1998

Kunstmatig peilbeheer zorgt voor dramatische achteruitgang Europese rietgordels

Europese rietgordels zijn de afgelopen decennia zeer sterk in oppervlak achteruitgegaan. Dat is te wijten aan een kunstmatig peilbeheer met weinig, of zelfs tegennatuurlijke fluctuaties in waterhoogte, waardoor het riet vrijwel nooit droog komt te staan. Als gevolg hiervan worden dode rietfragmenten onvolledig afgebroken, waardoor organische zuren vrijkomen die de rietplanten in hun groei belemmeren. Het riet "vergiftigt" in feite zijn eigen groeiplek. Dat concluderen Dr. Wim van der Putten en Drs. Olga Clevering van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek, Centrum voor Terrestrische Oecologie (NIOO-CTO) in Heteren.

Riet is een "sleutelsoort" in waterrijke gebieden. De plant fungeert als oeverbescherming, en vormt het beginstadium van natuurlijke verlanding. Daarnaast speelt riet een belangrijke rol als broed- en schuilplaats voor vogels en paaiplaats voor vis. Ook hebben rietgordels een waterzuiverende werking.
In heel Europa zijn echter rietgordels de laatste decennia sterk in oppervlak achteruitgegaan. Die achteruitgang is het sterkst in Midden- en Oosteuropa, maar ook in Nederland zijn rietgordels op veel plaatsen, zoals langs de oevers van de Amstel en de Linge en in de Kager- en Westeinder Plassen, sterk achteruitgegaan of compleet verdwenen.
Van der Putten en Clevering van het NIOO-CTO nemen deel aan een groot, door de Europese Unie gefinancierd onderzoeksprogramma, dat tot doel heeft de oorzaken van de grootschalige achteruitgang van rietvegetaties te achterhalen. Uit hun eerste resultaten komt naar voren dat de achteruitgang voor een groot deel is toe te schrijven aan de kunstmatige veranderingen in het waterpeil.

In een natuurlijke situatie zijn er sterke fluctuaties in het waterpeil. Daardoor komt de bodem waarin het riet wortelt, vooral in de zomer, regelmatig droog te staan. Tijdens die droge periodes wordt de bodem waarin de rietplanten wortelen belucht, waardoor dode rietfragmenten snel en volledig worden afgebroken door micro-organismen.
De laatste decennia zijn waterpeilbeheerders overal in Europa echter veelal overgegaan op een kunstmatig peilbeheer, waarin het waterpeil constant wordt gehouden, of een kunstmatig hoog zomerpeil wordt gehandhaafd. Dit heeft een desastreus effect gehad op de rietgordels in heel Europa. Als de bodem onder water staat gaat de afbraak van dode rietfragmenten namelijk veel langzamer, omdat er dan weinig zuurstof beschikbaar is. In deze omstandigheden vindt er ook vaak onvolledige afbraak van dood materiaal plaats, waardoor allerlei voor het riet giftige organische zuren zoals mierezuur en boterzuur vrijkomen bij de rietwortels.

De rietplanten "verdedigen" zich tegen deze zuren door het verdikken van de celwanden in de wortel, of door het afsluiten van hun wortels. Het neveneffect hiervan is echter, dat de wortels minder zuurstof doorvoeren naar de groeipunten. De rietplant kan op deze manier zichzelf "verstikken". De achteruitgang van rietgordels is nog verder bespoedigd door de toenemende overbemesting van water, waardoor nog meer dode rietfragmenten zich in de bodem ophopen.
De onderzoekers uit Heteren adviseren waterpeilbeheerders, zoals Rijkswaterstaat en waterschappen, het waterpeil zoveel mogelijk af te stemmen op de aanwezige of gewenste oeverplanten.

Noot voor de redactie:
Meer informatie is te verkrijgen bij Dr. Wim van der Putten, NIOO-CTO, Postbus 40, 6666 ZG Heteren, w.vanderputten@nioo.knaw.nl
 


 

Persbericht, 21 januari 1998

Bestrijding van schimmels met chitine-afbrekende bacteriën

Ziekteverwekkende schimmels in landbouwgrond kunnen waarschijnlijk worden bestreden door de toevoeging van chitine-afbrekende bacteriën in combinatie met chitine. Dat zegt Dr. Wietse de Boer van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek, Centrum voor Terrestrische Oecologie (NIOO-CTO) in Heteren. Hij publiceert volgende maand een vooronderzoek over dit onderwerp. Het NIOO-CTO gaat bij NWO een projectaanvraag indienen voor een vervolgonderzoek.

Chitine is een bestanddeel uit de celwand van schimmels. Voor veel bacteriën, echter, vormt chitine een voedselbron. Sommige van deze chitine-afbrekende bacteriën kunnen de chitine uit de celwand van schimmels opnemen. Deze bacteriën zijn dan ook in staat om de groei van schimmels te remmen.
Uitgaande van dit principe is al meerdere malen geprobeerd, de groei van ziekteverwekkende schimmels in de bodem te remmen door chitine aan de grond toe te voegen. Het idee is, dat dit de groei van chitine-afbrekende bacteriën zal stimuleren, die vervolgens "en passant" ook de schimmels zullen gebruiken als voedselbron.
Hoewel deze methode soms tot succes leidt, is de uitkomst van deze proeven zeer variabel, zo blijkt uit een onderzoek dat de Boer en enkele collega's volgende maand zullen publiceren in het tijdschrift "Soil Biology & Biochemistry". Niet alle chitine-afbrekende bacteriën tasten namelijk ook schimmels aan. In sommige gevallen werden, na toevoeging van chitine aan de grond, chitine-afbrekende bacteriën algemeen die voor de schimmels onschadelijk waren.
Wietse de Boer denkt dat hij dit probleem kan omzeilen door de chitine van te voren te "coaten" met bacteriën die wél die gewenste eigenschap bezitten. Dit geeft deze organismen de noodzakelijke "voorsprong" die nodig is om de grond te kunnen koloniseren.
De Boer en de CTO-directeur Onderzoek Prof. Hans van Veen dienen volgende maand een projectvoorstel in bij de Stichting Technische Wetenschappen van NWO voor verder onderzoek naar dit onderwerp. Dit onderzoek zal zich richten op bestrijding van de schimmel Rhizoctonia solani, die ziekteverwekkend is voor -onder andere- suikerbieten en wortelen. Bestrijding van deze schimmel, die jaarlijks een verliespost van 10 tot 20 miljoen gulden kan betekenen voor de
Nederlandse landbouw, gebeurt nu nog slechts met chemische middelen.

Het NIOO-CTO doet fundamenteel onderzoek aan ecosystemen op het land. Het instituut is ontstaan uit het voormalige Instituut voor Oecologisch Onderzoek. In 1992 is het instituut gefuseerd met het Limnologisch Instituut in Nieuwersluis en het Delta Instituut in Yerseke tot het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO). Het NIOO ressorteert onder de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW).

Noot voor de redactie:
Meer informatie is te verkrijgen bij Wietse de Boer. NIOO-CTO, Postbus 40, 6666 ZG Heteren, e-mail: w.deboer@nioo.knaw.nl.
 


 

Persbericht, 13 januari 1998

Zeesla in Veerse Meer houdt winterslaap

De zeesla, die ieder jaar weer massaal opduikt in het Veerse Meer, overwintert begraven in de bodem. Zwanen en ganzen spitten het wier waarschijnlijk onder, tijdens het zoeken naar voedsel onder water. Dat vonden de onderzoekers Pauline Kamermans en Erik Jan Malta van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO) in Yerseke.

Zeesla is altijd beschouwd als een éénjarige plant, die zich ieder jaar opnieuw moet voortplanten door middel van sporen. Uit deze sporen ontstaan in het voorjaar kiemplantjes, die vastgehecht zitten op een hard oppervlak zoals een mossel of steen. Als de zeesla groter wordt, laat het los van de ondergrond en vormt de karakteristieke groene flappen die in de Zeeuwse wateren algemeen zijn.

In het Veerse Meer echter, waar zeesla zo uitbundig groeit dat het vaak voor overlast zorgt, hebben de onderzoekers uit Yerseke nooit kiemplantjes kunnen vinden. Het was dus een raadsel, hoe de wieren hier ieder jaar weer in zo grote getale konden opduiken.

Dit raadsel is inmiddels door Kamermans en Malta opgelost. De zeesla in het Veerse Meer is niet éénjarig, zoals aangenomen werd, maar kan "overwinteren" begraven in de bodem. Zeesla die niet in de bodem begraven is, sterft gedurende de winter af. Dat komt omdat zeesla vriestemperaturen alleen kan overleven in het donker. De onderzoekers ontdekten dit tijdens een laboratoriumexperiment met ingevroren zeesla.

Zwanen en ganzen spelen waarschijnlijk een belangrijke rol bij het "begraven" van de zeesla. Deze vogels bewegen tijdens het zoeken van voedsel met hun snavel over de bodem, en maken daarbij gaten in het sediment. De zeesla kan in deze gaten spoelen, en begraven raken onder het slik of zand. In het voorjaar kan de zeesla weer vrijkomen doordat de wind het water in beweging brengt. In een voorjaar met weinig wind is er dan ook weinig zeesla, vonden de onderzoekers.

Het Veerse Meer is, dankzij de slikkige bodem, zeer geschikt voor deze manier van overleven. Voortplanting door middel van sporen is waarschijnlijk wat moeilijker, omdat er veel minder stenen, mosselen en andere "harde oppervlakken" aanwezig zijn dan in bijvoorbeeld de Oosterschelde, waar kiemplanten van zeesla wel regelmatig worden gevonden.
 


 

Persbericht, 12 januari 1998

Stijging Westerscheldepeil biedt gelegenheid tot uniek natuurlijk experiment naar gevolgen zeespiegelstijging

Door de verdieping van de Westerschelde, die vorig jaar is begonnen, zal het waterpeil in deze riviermonding stijgen met maximaal tien centimeter. Dit biedt de gelegenheid tot een uniek natuurlijk experiment naar de gevolgen van zeespiegelrijzing. Onderzoeker Tom Cappenberg van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek - Centrum voor Estuariene en Mariene Oecologie in Yerseke begint daarom dit voorjaar met een onderzoek naar het effect van deze waterstijging op de aan het water grenzende schorren. Ook België, Groot-Brittanië, Denemarken, Frankrijk en Portugal nemen deel aan het project.

Een van de voorspelde gevolgen van het broeikaseffect is stijging van de zeespiegel. Tot nu toe konden over de gevolgen hiervan alleen maar theoretische voorspellingen worden gedaan aan de hand van simulatiemodellen. Het is immers niet mogelijk om de zeespiegel experimenteel te veranderen. Zeespiegstijging is een uiterst langzaam proces, dus om in de praktijk iets te kunnen zeggen over de gevolgen ervan op kustgebieden, moeten allerlei meetvariabelen decennia lang gevolgd worden.

De verdiepingen in de Westerschelde echter, die vorig jaar zijn aangevangen, zullen volgens de prognoses binnen enkele jaren leiden tot een stijging van het waterpeil in de riviermonding van maximaal 10 cm bij de Belgische grens tot 2 cm in de monding. Dit is vergelijkbaar met de waterstijging die het broeikaseffect, volgens de voorspellingen, zal veroorzaken binnen 200 jaar. Cappenberg en zijn buitenlandse partners hebben de hierdoor ontstane "natuurlijke analogie" aangegrepen om een onderzoek op te zetten naar de gevolgen van zeespiegelrijzing op schorren langs de oevers van de Westerschelde.

Schorren zijn aangemerkt als beschermde natuurgebieden in de Ramsar conventie. Het zijn belangrijke gebieden voor vogels, en als "kraamkamer" voor vissen en garnalen. Ook kunnen ze een waterzuiverende werking hebben. Schorren zijn echter bijzonder gevoelig voor zeespiegelstijgingen. Vooral de planten op de hogere delen van het schor kunnen zich waarschijnlijk moeilijk handhaven als de overstromingsfrequentie toeneemt.

Cappenberg en zijn collega's zullen het effect van de waterpeilstijging onderzoeken op de planten, dieren en micro-organismen van verschillende schorren. Ook wordt onderzocht of de schorren in staat zijn om "mee te groeien" met het waterpeil. Het onderzoeksprogramma (met de titel "Influence of rising sea level on ecosystem dynamics of salt marshes", afgekort "ISLED") wordt gefinancierd door de Europese Unie in het kader van het "Environment and Climate" E.U. framework programme.

Het NIOO-CEMO doet fundamenteel onderzoek naar biologische processen in riviermondingen en kustwateren. Het instituut is ontstaan uit het voormalige Delta-Instituut voor Hydrobiologisch Onderzoek, dat de biologische gevolgen van de Deltawerken onderzocht. In 1992 is het instituut gefuseerd met het Limnologisch Instituut in Nieuwersluis en het Instituut voor Oecologisch Onderzoek in Heteren tot het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO). Het NIOO is een instituut van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW).

Noot voor de redactie:
Meer informatie is te verkrijgen bij Tom Cappenberg, NIOO-CEMO, Korringaweg 7, 4400 AC Yerseke, tel 0113-577455, fax 0113-573616, E-mail t.cappenberg@nioo.knaw.nl
 


 

Persbericht, 6 januari 1998

Spectaculair herstel bever door herintroducties

De bever, waarvan in het begin van de 20e eeuw nog maar 1200 exemplaren waren overgebleven, heeft zich dankzij herintroducties hersteld tot een totale populatiegrootte van 430.000 exemplaren. Door de herintroducties zijn echter wel verschillende geografische ondersoorten met elkaar vermengd. Bovendien worden andere ondersoorten in Azië nog steeds bedreigd.

Dat schrijft Dr. Bart Nolet van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek-Centrum voor Limnologie (NIOO-CL) in Nieuwersluis in zijn rapport "Management of the beaver (Castor fiber): towards restoration of its former distribution and ecological function in Europe". Hij schreef het rapport in opdracht van de Raad van Europa. Het rapport bevat informatie over de status van bevers en de knelpunten in de bescherming van deze soort, in het kader van de conventie van Bern, waarin afspraken zijn gemaakt over de bescherming van Europese diersoorten. Een beknopte versie van het rapport is verschenen in een recent nummer van het tijdschrift "Biological Conservation".

De bever was oorspronkelijk wijdverspreid in bossen en beboste rivierdalen in Europa en Azië. Door overbejaging waren er aan het begin van de twintigste eeuw echter nog maar 1200 exemplaren over, verspreid over acht populaties in Europa en Azië. In 1922 is begonnen met herintroductie van bevers in het wild. Het doel van deze herintroducties was aanvankelijk het herstel van een bejaagbare soort. Later werd de bever vooral uitgezet vanwege zijn (vermeende) verrijkende invloed op de biodiversiteit. Door de herintroductieprogramma's heeft de bever zich spectaculair hersteld: momenteel wordt de totale populatie geschat op 430.000 exemplaren.

Tijdens de herintroducties is echter geen rekening gehouden met het bestaan van verschillende ondersoorten van de bever. In veel gevallen zijn ondersoorten met elkaar gemengd, waardoor de unieke kenmerken van deze ondersoorten zijn verdwenen. Drie populaties in Azië zijn daarnaast nog steeds bedreigd. Het betreft groepen in West-Siberië, in Mongolië en in de omgeving van het Baikal-meer.
Nolet concludeert in het rapport dat het gewenst is om maatregelen te nemen om het leefgebied van de acht oorspronkelijke populaties te beschermen of herstellen, en wel op het niveau van een stroomgebied van een rivier. Dat kan gebeuren door het vermijden van kaalkap en veehouderij langs rivieren, en het intact laten van de natuurlijke waterhuishouding van de rivieren.
Aan de andere kant zijn sommige beverpopulaties in Europa zo groot geworden, dat ze overlast veroorzaken, in de vorm van vraat aan commercieel belangrijke boomsoorten of overstromingen door beverdammen. Volgens Nolet moet de populatiegrootte soms worden gereguleerd door afschot of hormonale sterilisatie van volwassen dieren, omdat de natuurlijke vijanden van bevers (zoals wolven) over het algemeen niet meer aanwezig zijn. Voorwaarde is een goede monitoring van de populatie-omvang: de geschiedenis heeft immers geleerd dat bevers gemakkelijk op de rand van uitsterven kunnen worden gebracht.

Het NIOO-CL doet fundamenteel onderzoek aan zoetwater-ecosystemen. Het instituut is ontstaan uit het voormalige Limnologisch Instituut. In 1992 is het instituut gefuseerd met Instituut voor Oecologisch Onderzoek in Heteren en het Delta Instituut in Yerseke tot het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO). Het NIOO ressorteert onder de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW).

Noot voor de redactie:
Meer informatie is te verkrijgen bij dr. Bart Nolet, NIOO-CL, Rijksstraatweg 6, 3631 AC Nieuwersluis, tel 0294-239318 (doorkiesnummer), 0294-239300 (receptie), fax 0294-232224, e-mail b.nolet@nioo.knaw.nl
Rapport "Management of the beaver (Castor fiber): towards restoration of its former distribution and ecological function in Europe", naar aanleiding hiervan verscheen ook een artikel in "Biological conservation". 


Persbericht 16 december 1997

Nieuwe Directeur Onderzoek NIOO-Centrum voor Terrestrische Oecologie

Prof. Dr. Hans van Veen wordt per 1 januari Directeur Onderzoek van het NIOO-Centrum voor Terrestrische Oecologie (CTO) in Heteren. De afgelopen zes jaar was van Veen directeur van het Instituut voor Plantenziektenkundig Onderzoek van de Dienst voor Landbouwkundig Onderzoek (IPO-DLO) in Wageningen. Daarnaast is hij ook bijzonder hoogleraar in de microbiële ecologie aan de Rijksuniversiteit Leiden.

Voor Van Veen was betrokkenheid bij fundamenteel ecologisch onderzoek de voornaamste motivatie om deze functie te accepteren. Van Veen: "In mijn huidige baan heb ik veel managementtaken, waardoor er geen ruimte meer is voor directe betrokkenheid bij het onderzoek. Die betrokkenheid is wel aanwezig in mijn functie van Directeur Onderzoek van het NIOO-CTO."

Volgens de nieuwe Directeur Onderzoek moet het NIOO een centrale plaats innemen binnen het nationaal en internationaal fundamenteel ecologisch onderzoek. "Er is een grote maatschappelijke vraag naar fundamenteel ecologische kennis. Neem bijvoorbeeld de hele discussie over de gevolgen van klimaatsveranderingen, over het landgebruik, over duurzame voedselvoorziening enzovoort. Het NIOO moet dan ook met zijn onderzoek inspelen op maatschappelijke ontwikkelingen. Maar voorop staat dat het NIOO zich onderscheidt door kwalitatief uitstekend onderzoek van internationale allure."

Het NIOO-CTO doet fundamenteel onderzoek aan ecosystemen op het land. Het instituut is ontstaan uit het voormalige Instituut voor Oecologisch Onderzoek. In 1992 is het instituut gefuseerd met het Limnologisch Instituut in Nieuwersluis en het Delta Instituut in Yerseke tot het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO). Het NIOO is een instituut van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW).


 

Persbericht, 9 december 1997

NIOO start onderzoek aan giftige algenbloeien in de Oostzee

De Oostzee is de enige zee ter wereld waar bloeien van giftige blauwalgen (cyanobacteriën) voorkomen. Het is echter nog onduidelijk welke factoren een rol spelen bij het optreden van deze bloeien, en welke risico's ze opleveren voor mens en dier. Deze maand starten biologen van het Centrum voor Estuariene en Mariene Oecologie (CEMO) van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO) in Yerseke daarom met een grootschalig onderzoeksproject naar blauwalgen in de Oostzee.

De Oostzee is een bijzondere zee. In het uiterste noorden is het water bijna zoet, terwijl in de buurt van het Kattegat het water net zo zout is als in de Noordzee. De Oostzee ontvangt het zoete water van de omringende Scandinavische landen. Dit water bevat vaak veel mest- en vervuilende stoffen. Daarnaast zorgen de overheersende luchtstromingen ervoor dat er veel stikstof, afkomstig van landbouw en verkeer in de West-Europese industrielanden, via de lucht in het Oostzeewater terecht komt. Deze factoren, gecombineerd met de geringe uitwisseling van Oostzee-water met de Noordzee, zorgen ervoor dat de Oostzee hoge concentraties aan meststoffen en vervuilingen bevat.

Bijzonder aan de Oostzee is verder, dat het de enige zee is waarin bloeien van giftige blauwalgen voorkomen. Giftige blauwalgen zijn notoire plaaggeesten in het zoete water, die in warme zomers meren en recreatieplassen onbruikbaar kunnen maken voor zwemmers. In zout water komen ze echter maar mondjesmaat voor. Dat ze in de Oostzee wel zorgwekkende concentraties kunnen bereiken komt waarschijnlijk omdat het water minder zout is dan in andere zeeën. De blauwalgen bezitten kleine gasblaasjes, waardoor ze drijflagen kunnen vormen. Stinkende en rottende aangespoelde drijflagen veroorzaken grote overlast langs de Oostzeekust. De algen produceren daarnaast gifstoffen die inwerken op het zenuwstelsel en de lever van mensen en dieren.

De algenbloeien in de Oostzee ontstaan op onvoorspelbare tijden en plaatsen, en het is niet duidelijk wat nu precies de oorzaken ervan zijn. De onderzoekers uit Yerseke gaan daarom in kaart brengen onder welke omstandigheden bloeien optreden, en uit welke algensoorten de bloeien bestaan. Ook gaan ze de uitwerking van de door de algen geproduceerde gifstoffen op verschillende diersoorten bestuderen.

Het onderzoek moet uiteindelijk meer inzicht opleveren in de oorzaken van bloeien van blauwalgen, waardoor het mogelijk wordt om algenplagen te voorspellen en te voorkomen. Het project wordt gefinancierd door de Commissie van de Europese Gemeenschap, en gecoördineerd door Dr. Lucas Stal van het NIOO-CEMO. Andere deelnemers zijn een aantal universiteiten uit Duitsland, Groot-Brittanië, Zweden, Finland en Italie.

Het NIOO-CEMO doet fundamenteel onderzoek naar biologische processen in riviermondingen en kustwateren. Het instituut is ontstaan uit het voormalige Delta-Instituut voor Hydrobiologisch Onderzoek, dat de biologische gevolgen van de Deltawerken onderzocht. In 1992 is het instituut gefuseerd met het Limnologisch Instituut in Nieuwersluis en het Instituut voor Oecologisch Onderzoek in Heteren tot het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO). Het NIOO is een instituut van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW).
 


 

Persbericht, 2 december 1997

Zeeuwse onderzoekers vertrekken naar Antarctica voor onderzoek naar de invloed van het ozongat

Tussen Kerst en de Jaarwisseling vertrekken drie medewerkers van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek-Centrum voor Estuariene en Mariene Oecologie (NIOO-CEMO) te Yerseke naar Antarctica om daar de invloed van de ultraviolette straling van de zon op de vegetatie van de kust van het Zuidpoolgebied te onderzoeken. Het betreft wetenschappelijk medewerker Ad Huiskes, Assistent Tanja Moerdijk en Onderzoeker-in-Opleiding Daniela Lud. Het onderzoek wordt gefinancierd via het Nederlands Antarctica Programma, waarin een vijftal ministeries financieel bijdragen.

Sinds de laatste 25 jaar is onder invloed van de vervuiling van de atmosfeer met gechloreerde fluorkoolwaterstoffen (CFK's) de ozonconcentratie in de Stratosfeer geleidelijk afgenomen. Ozon filtert de schadelijke ultraviolette straling uit het zonlicht dat op de aarde valt. Door de afname van de ozonconcentratie neemt de hoeveelheid ultraviolette straling die op aarde terecht komt geleidelijk toe. Ultraviolet licht (UV, met name de component UV-B) kan schade toebrengen aan alle organismen, omdat het mutaties kan veroorzaken in het DNA, de drager van de erfelijke eigenschappen. Bij planten wordt ook de fotosynthese beïnvloed.

De invloed van UV op plant, dier en mens is universeel. In Antarctica is echter de toename van UV-straling sinds de laatste 25 jaar het sterkst. Effecten van deze schadelijke straling zullen daarom gemakkelijker te vinden zijn op Antarctica dan elders op de wereld waar de toename in UV minder is.

Het onderzoek vind plaats in de omgeving van de Engelse onderzoeksbasis Rothera.
Omdat Nederland geen eigen onderzoekstation in Antarctica heeft, werken de NIOO-onderzoekers nauw samen met de British Antarctic Survey (BAS), de Engelse organisatie voor poolonderzoek. de BAS verleent ook logistieke ondersteuning aan het projekt. In ruil daarvoor heeft Nederland bijgedragen in de inrichting van een biologisch laboratorium op deze basis en een tijdelijk veldstation gefinancieerd, van waaruit Nederlandse, Engelse en Duitse onderzoekers in de maanden januari en februari hun onderzoek zullen uitvoeren. De relatie tussen NIOO-CEMO en BAS dateert van 1989, toen voor de eerste keer een medewerker van het NIOO-CEMO (Ad Huiskes) naar Antarctica vertrok voor onderzoek aan kustvegetaties. Ad Huiskes en Tanja Moerdijk waren ook in januari en februari 1997 al ter plaatse om voorbereidingen te treffen voor het veldonderzoek. Daniela Lud is als onderzoeker in opleiding per 1 juli in dienst van het NIOO gekomen en zal van maart tot november van het volgende jaar in Antarctica overwinteren.

Het NIOO-CEMO doet fundamenteel onderzoek naar biologische processen in riviermondingen en kustwateren. Het instituut is ontstaan uit het voormalige Delta-Instituut voor Hydrobiologisch Onderzoek, dat de biologische gevolgen van de Deltawerken onderzocht. In 1992 is het instituut gefuseerd met het Limnologisch Instituut in Nieuwersluis en het Oecologisch Onderzoeks Instituut in Heteren tot het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO). Het NIOO is een instituut van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW).

Noot voor de redactie:
Meer informatie is te verkrijgen bij Ad Huiskes, NIOO-CEMO, Korringaweg 7, 4400 AC Yerseke, tel 0113-577456, fax 0113-573616, E-mail a.huiskes@nioo.knaw.nl 

 


 

Persbericht, 20 oktober 1997

Bodembacteriën produceren broeikasgas na regenbuien

Piekemissies van stikstofmonoxide (NO) en distikstofoxide (lachgas; N2O) uit de bodem kunnen optreden na hevige regenbuien. Dat is vooral het gevolg van de aktiviteit van denitrificerende bacteriën in de bodem. Deze bacteriën gebruiken, normaal gesproken, zuurstof voor hun ademhaling. Na een regenbui kan de hoeveelheid zuurstof in de bodem echter drastisch dalen, waardoor deze micro-organismen overgaan op een alternatieve ademhaling, waarin nitraat wordt gebruikt in plaats van zuurstof. Tijdens de overschakeling van zuurstof- naar nitraatademhaling kunnen de enzymsystemen van deze organismen "in de war raken". Als resultaat daarvan komen NO en N2O vrij.

Dat is een van de conclusies uit het proefschrift van Dr. Ronald Kester, getiteld: "Production of nitric oxide and nitrous oxide by nitrifiers and denitrifiers" , waarop hij op 6 oktober is gepromoveerd aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Doel van dit onderzoek was, meer informatie te verzamelen over de werking van NO- en N2O-producerende bodembacterien, om uiteindelijk een succesvolle emissiereductie-strategie voor deze gassen te kunnen ontwikkelen. Kester voerde zijn onderzoek uit op het Centrum voor Terrestrische Oecologie van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO-CTO) in Heteren (Gelderland).

NO en N2O spelen een rol bij een breed scala aan milieuproblemen. NO is een zeer reactief gas dat bijdraagt aan fotochemische luchtverontreiniging en indirect -via de produktie van ozon in de onderste luchtlagen- aan het broeikaseffect. N2O draagt ook bij aan het broeikaseffect, en daarnaast aan de afbraak van ozon in de stratosfeer. Dit gas breekt zeer slecht af; de gemiddelde verblijftijd ervan wordt geschat op 150 jaar.

Het aandeel van bodems aan de wereldproduktie van NO en N2O wordt geschat op ongeveer 20%. Deze schatting is echter vrij onzeker, omdat er zeer veel variatie is tussen verschillende bodemtypes en meetmethodes. Het onderzoek van Kester suggereert dat beide gassen voornamelijk tijdens piek-emmissies vrijkomen, en dat die pieken samenhangen met veranderingen in de zuurstofconcentratie. Om tot een betere schatting te komen van de NO- en NO2- produktie door bodems moet er dus meer onderzoek worden gedaan naar piek-emissies, zoals die zich bijvoorbeeld na regenbuien kunnen voordoen.

Het NIOO-CTO doet fundamenteel ecologisch onderzoek. Het instituut is ontstaan uit het voormalige Oecologisch Onderzoeks Instituut. In 1992 is het instituut gefuseerd met het Limnologisch Instituut in Nieuwersluis en het Delta Instituut in Yerseke tot het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO). Het NIOO is een instituut van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW).

Noot voor de redactie:
Meer informatie is te verkrijgen bij Dr. Wietse de Boer, NIOO-CTO, Postbus 40, 6666 ZG Heteren, e-mail w.deboer@nioo.knaw.nl.

 


 

Persbericht, 13 oktober 1997

Zeeuwse schorren (kwelders) spelen beperkte rol in de kringloop van organische stof

 
Het Saeftinghe schor in de Westerschelde is een bezinkplaats voor organische stof. Als dit gebied bij vloed onder water loopt, zorgen de lage stroomsnelheden ervoor dat de in het water opgeloste organische stofdeeltjes tussen de stengels van de schorrenplanten bezinken. Daardoor is, als het water bij eb weer van het schor afstroomt, het gehalte aan organische stof ervan afgenomen.
Dit geldt echter niet voor alle schorren. Het verderop langs de kust gelegen Zwin schor blijkt juist weer organische stof te exporteren. Bij een ander schor (in de Oosterschelde) was er geen sprake van waarneembare uitwisseling van organische stof. Al met al lijkt het "gedrag" van schorren in dit verband daarom niet aan vaste regels te voldoen.
 
Dat is een van de conclusies uit het proefschrift van Drs. Vincent Klap, getiteld: "Biogeochemical aspects of salt marsh exchange in the SW Netherlands".  Klap voerde zijn onderzoek uit op het Centrum voor Estuariene en Mariene Oecologie van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO-CEMO) in het Zeeuwse Yerseke. Hij zal zijn proefschrift verdedigen op 3 november aan de Universiteit van Amsterdam.
 
Klap analyseerde tijdens zijn promotieonderzoek de samenstelling van het organisch materiaal in de eb- en vloedstroom van de drie verschillende schorrengebieden in de Zeeuwse delta. In twee van de drie schorren vond hij dat de samenstelling van eb- en vloedstroom verschilden. In zijn algemeenheid lijkt de schaal waarop uitwisseling optreedt echter klein te zijn. Klaps resultaten staan haaks op de gangbare opvattingen dat schorren een bron zijn van organisch materiaal voor het omringende water.
 
Het NIOO-CEMO doet fundamenteel onderzoek naar biologische processen in riviermondingen en kustwateren. Het instituut is ontstaan uit het voormalige Delta-Instituut voor Hydrobiologisch Onderzoek, dat de biologische gevolgen van de Deltawerken onderzocht. In 1992 is het instituut gefuseerd met het Limnologisch Instituut in Nieuwersluis en het Oecologisch Onderzoeks Instituut in Heteren tot het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO).