
Planten sturen toekomst natuurherstel via bodemleven
![]() |
| De plantengemeenschap op een voormalige maïsakker (Assel, gemeente Apeldoorn) wordt kort na uit-productiename gedomineerd door akkeronkruiden en pioniersoorten zoals akkerviooltje en Canadese fijnstraal. |
![]() |
| Kasexperiment in het fytotron van het Nederland Instituut voor Ecologie in Heteren (Gld.) waarbij getest wordt hoe de eerste planten die voormalige akkers koloniseren via het bodemleven de ontwikkeling van graslandherstel beïnvloeden. |
Het lukt vaak niet om uit productie genomen landbouwgronden om te vormen tot soortenrijke graslanden en heidevelden. Dat is jammer, omdat die half-natuurlijke ecosystemen landelijk sterk achteruit gaan. Hoe belangrijk is het bodemleven voor dit natuurherstel? Promovendus Paul Kardol van het NIOO-KNAW voegt nieuwe resultaten toe aan deze zinvolle discussie.
Paul Kardol toont aan dat het bodemleven het natuurherstel op voormalige akkers kan versnellen of vertragen. In nog jonge 'nieuwe natuur' versnellen groeiremmende en ziekteverwekkende bodem-organismen de vegetatieverandering. Op oudere 'ex-akkers' lijken positief werkende bodemorganismen de herstelde natuur juist in stand te houden. Sommige van deze behulpzame bodemorganismen zaten al in de akker, maar in lage aantallen. Andere koloniseren de nieuwe natuur langzaamaan vanuit de omgeving en vermenigvuldigen zich als de bodem-omstandigheden en de planten daar geschikt voor zijn. De planten bepalen via de samenstelling van het bodemleven de verdere ontwikkeling, de toekomst dus, van de plantengroei.
In een reeks Zuid-Veluwse landbouwgronden die recent of tot wel 35 jaar geleden uit productie zijn genomen, onderzocht bioloog Kardol de relatie tussen het bodemleven en de vegetatie. Hij stelde vast welke plantensoorten voorkwamen en kweekte deze planten op in een kas, in grond van de voormalige akkers. Akkeronkruiden - die de plantengemeenschap domineren net na het uit productie nemen - worden door het bodemleven geremd in hun groei, terwijl de plantensoorten van de oudere 'natuurherstelgebieden' juist in hun groei worden bevorderd. Zo ontwikkelt de plantengroei zich snel van de eerste pioniers naar een rijke groep opvolgers. De ecologische erfenis in de bodem doet zijn werk.
Vervolgens beplantte Kardol in de kas grond van een recent verlaten akker met zes verschillende onkruidsoorten die vaak als eerste te vinden zijn: herderstasje, Canadese fijnstraal, akkerviooltje en de grassen geknikte vossenstaart, grote windhalm en straatgras. Als tweede stap plantte hij deze zes onkruiden opnieuw in dezelfde grond en vond dat elke soort het slechtst groeit in de eigen grond. Ook doen de grassen het minder goed in de grond van andere grassen; de kruidachtige soorten beïnvloeden elkaar minder. De onderzoeker filterde de bacteriën en schimmels uit de bodem. Door ze toe te voegen aan steriele grond toonde Kardol aan dat deze microscopisch kleine bodemorganismen de reactie van de planten op de verschillende bodems kunnen verklaren. Zij zijn het die de erfenis vormen van de eerste planten.
Voor de toepassing van deze bevindingen is het nu van belang om te leren hoe je het bodemleven op grote schaal kunt inzetten voor natuurherstel. Kardol: "Zo maar beestjes in de grond stoppen werkt niet. Ze worden door het andere bodemleven opgegeten of weggeconcureerd, of ze hebben te weinig te eten. Daar ligt dus nog een grote uitdaging. Maar het principe werkt."

